De Bijbel leert dat in onze relatie tot God vertrouwelijkheid past.
Dat is bijzonder, want in de meeste godsdiensten is zoiets ondenkbaar. David zegt in Psalm 25:14: “Des Heren vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen, en Zijn verbond maakt Hij hun bekend.” Het woord ‘vrezen’ betekent niet: angstig zijn voor God, maar: een diep ontzag voor Hem hebben en op basis van vertrouwen tot volledige overgave gekomen zijn.
God is liefde, daarom verlangt Hij naar een vertrouwelijke omgang met ons. Genesis 3 beschrijft hoe God in de hof wandelde in de avondkoelte en zo vertrouwelijk omging met Adam en Eva. Door de zonde konden zij deze vertrouwelijkheid met God niet meer aan. Ze verborgen zich tussen de struiken. Een triest einde van een wondermooi begin.
Maar God blijft zoeken naar mensen met wie Hij vertrouwelijk kan omgaan. Van Henoch wordt gezegd: hij wandelde met God. Ook bij Noach was dit zo en God gebruikte hem om de wereld van een totale ondergang te redden.
Genesis 18 beschrijft hoe God in mensengedaante bij Abraham op bezoek komt. Dan wordt op zo’n menselijk gevoelige wijze beschreven hoe God naar iemand zoekt met wie Hij een vertrouwelijk gesprek kan voeren, vóór Hij vertrekt naar Sodom. “En de Here dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? Abraham immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden en met hem zullen alle volken der aarde gezegend worden…”
De Here vertelt Abraham over het vreselijke lot dat Sodom en Gomorra zal treffen vanwege hun slechtheid. Abraham vraagt God de steden te redden ter wille van de rechtvaardigen die erin wonen. De Here belooft Abraham de steden te sparen als er nog 10 rechtvaardigen over zijn. Die waren er niet, helaas, maar ter wille van Zijn vriend Abraham redt de Here Lot en zijn gezin. Het vertrouwelijke gesprek heeft drie mensenlevens gered.
Met Mozes is God het meest vertrouwelijk omgegaan. In Exodus 33:11 staat: “En de Here sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend.” God is liefde, Hij verlangt ernaar met mensen om te gaan zoals vrienden en vriendinnen met elkaar.
Als Jezus op aarde is wordt het nog duidelijker hoe God verlangt naar een relatie met ons. Een relatie die gekenmerkt wordt door vertrouwelijkheid. Aan het eind van Zijn aardse leven noemt Jezus Zijn discipelen vrienden. Hij zegt: “Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt” (Johannes 15:15).
Er mankeerde nog van alles aan het leven van de discipelen, toch noemt Jezus hen Zijn vrienden, vanwege de vertrouwelijkheid die er tussen hen is ontstaan. Jezus voelde de ruimte om dingen te zeggen, die Hij vroeger niet aan hen kwijt kon.
Toch was dit nog maar het begin van de vertrouwelijke omgang die Jezus uiteindelijk op het oog had. In Johannes 16 zegt Hij: “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid…”
De meest vertrouwelijke omgang die Jezus met ons kan hebben is wanneer Hij met Zijn Geest in ons woont en steeds meer van Zichzelf aan ons kwijt kan.
Vertrouwelijkheid in relaties leren we in een omgeving waar vertrouwelijk met elkaar wordt omgegaan. Het gezin kan hiervoor de voedingsbodem zijn. Heeft de sfeer van intimiteit ontbroken in de omgeving waar we opgroeiden, dan moeten we later extra moeite doen om vertrouwelijkheid in relaties aan te leren.
Geestelijk is dat weinig anders. We moeten ván anderen, en samen mét anderen, leren om vertrouwelijk om te gaan met God en medegelovigen.
Hoe ontwikkelen we geestelijke intimiteit? Vertrouwelijkheid heeft uiteraard alles met vertrouwen te maken. We moeten kunnen leven uit de zekerheid dat God ons uit genade als Zijn kinderen heeft geadopteerd.
Wie nog iedere dag probeert een kind van God te zijn komt niet tot rust bij Hem. Als we denken dat we Gods liefde elke dag moeten verdienen dan is er geen basis voor geestelijke intimiteit. Voorwaarde daarvoor is dat we tot rust gekomen zijn in onze relatie tot God. We moeten ophouden onszelf te redden en ons laten redden door God in Christus. Zó, door adoptie, worden we lid van het gezin van God, waar geestelijke vertrouwelijkheid een plaats heeft.
Geloofszekerheid is dus de basis voor een vertrouwelijke omgang met God. We moeten het dan echter nog leren toepassen in het leven van elke dag. Met geestelijke intimiteit bedoel ik dat we de Bijbel heel persoonlijk leren lezen als een brief die God aan ons schrijft en waarop wij persoonlijk kunnen reageren in gebed. De ervaring leert dat velen van ons de hulp van iemand anders nodig hebben om dit te oefenen.
Samen een gedeelte lezen uit de Bijbel, uitwisselen wat het voor ons persoonlijk betekent en dan samen erover bidden. Zo kan een sfeer van geestelijke vertrouwelijkheid ontstaan, waarin we allerlei dingen die ons bezighouden aan elkaar kunnen vertellen. Dingen waarmee we blij zijn en die ons hoop geven, maar ook zaken die ons dwars zitten en waarover we willen doorpraten.
Het is deze vertrouwelijke omgang met een medegelovige die ons helpt om ook steeds vertrouwelijker met God om te gaan in Woord en gebed. We leren ons uiten in gebed over dingen die ons gevoelsmatig bezighouden, ook al zijn ze objectief gezien misschien nog zo onbetekenend. ‘Daar kun je God toch niet mee lastig vallen?’ hoor ik wel eens iemand zeggen. Mijn antwoord is: ‘Natuurlijk wel!’ God is niet de ‘grote directeur’, Die Zich alleen met hoofdzaken bezighoudt, maar een Vader, Die de vertrouwelijke omgang zoekt.
Geestelijke vertrouwelijkheid is iets waar we ons als gelovigen in moeten blijven oefenen. Niet alleen naar God toe, maar eveneens met een of meer medegelovigen. Het is ook kostbaar om een geestelijk intieme relatie te hebben met iemand die ons helpt om God meer lief te hebben. Iemand die ons kent en de vrijheid heeft om ons heel persoonlijk over dingen aan te spreken en ons te bemoedigen. Iemand die meer ervaring heeft en die we vertrouwen, met wie we tevens problemen kunnen bespreken.
Gelukkig het kind dat in de beschutting van een gezin mag opgroeien en niet alleen zijn weg hoeft te vinden in de grote groep van de weeshuizen van weleer. Hetzelfde geldt op geestelijk gebied. Gelukkig de gelovige die niet behoeft op te groeien in de grote groep van een ‘geestelijk weeshuis’, maar de geestelijke intimiteit leert kennen doordat iemand zich over hem of haar ontfermt.
Ik denk wel eens: het meest waardevolle dat de Navigators mij hebben bijgebracht is de visie voor geestelijk ouderschap en het ontwikkelen van geestelijke vertrouwelijkheid met God en met medegelovigen. Het is een roeping die veel tijd vergt en zich grotendeels in het verborgene afspeelt, maar de vruchten zijn van blijvend belang.
Datgene wat het meest kostbaar kan zijn in de relatieontwikkeling kan ook het meest relatieverstorend werken. We zien dat duidelijk bij alles wat verkeerd kan gaan in huwelijk en gezin. Toch is het de moeite waard om steeds opnieuw, in geloof, de draad weer op te pakken. Zo is het ook met het ontwikkelen van geestelijke vertrouwelijkheid.
Veel kan fout gaan, maar het is de moeite waard om, in geloof, de draad weer op te pakken.
Is God ons daarin niet voorgegaan?
Juni 1987