Als je in geloof leeft heb je dan automatisch gevoelens van rust en vrede? Of is het zo dat geregeld onzekerheid, zorg en vrees weer de kop opsteken? Deze vraag houdt mij de laatste tijd nogal bezig.
In Jesaja 32:17 staat: “En de vrucht der gerechtigheid zal vrede zijn, de uitwerking der gerechtigheid rust en veiligheid tot in eeuwigheid.” Ik heb veel ervaringen in mijn leven gehad die de waarheid van dit vers bevestigen. Toch kan ik ook zomaar weer overvallen worden door gevoelens van onzekerheid, zorg en vrees als de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Niet zozeer onzekerheid over het kind van God zijn en het eeuwige leven, maar zorg en vrees hoe het hier op aarde verder moet. Blijft God echt wel voor ons zorgen? Zal ik wel tijdig weten wat ik moet doen? En kan ik dat dan wel?
De laatste weken heb ik in mijn stille tijd de verhalen over Mozes gelezen, om na te gaan hoe deze geloofsheld zich af en toe gevoeld moet hebben bij het uitvoeren van Gods opdracht. Uit Exodus 3 weten we dat Mozes er enorm tegenop zag om zijn roeping te aanvaarden. “Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?” Mozes had te kampen met gevoelens van onzekerheid en vrees, ondanks het feit dat God Zelf hem duidelijk riep.
Een zeker weten dat God je duidelijk geroepen heeft is kennelijk nog geen garantie dat je meteen rust en vrede hebt.
God probeert Mozes te helpen door zijn ogen op Hem te richten. “Ik ben immers met u!” en “… Ik zal uw mond zijn en u leren wat gij spreken moet.” Gewapend met deze beloften gaat Mozes uiteindelijk op weg.
Het eerste optreden van Mozes in Egypte is allerminst een succes. Farao gaat de Israëlieten nog wreder behandelen. Zij krijgen voortaan geen stro meer en moeten toch dezelfde hoeveelheid tichelstenen bakken. De Israëlische opzichters worden boos op Mozes en Aäron omdat zij de zaak bij Farao ‘verprutst’ hebben. De opzichters zitten nu met de brokken van dat waardeloze beleid.
De Israëlieten willen niet meer naar Mozes luisteren “… uit ongeduld en wegens de harde slavernij.”
Mozes voelde zich compleet ontmoedigd. In zijn gebed zegt hij: “Here, waarom behandelt Gij dit volk zo hard? Waarom hebt Gij mij gezonden?” Mozes worstelt met de waaroms. Mozes verdringt zijn gevoelens van vrees en teleurstelling niet maar gaat ermee naar God. Hij zegt: “Here, vanaf het ogenblik dat ik bij Farao geweest ben, heeft hij dit volk slecht behandeld en Gij hebt Uw volk geenszins gered.”
Wat kunnen omstandigheden ons gevoelsmatig onderuit halen, ook al geloof je in God en weet je dat je gedaan hebt wat Hij zei. Mozes wist niet wat van de situatie te denken.
Daarna breekt een andere tijd aan. God gaat handelend optreden door Egypte de 10 plagen te zenden. Mozes wordt nu duidelijk in zijn bediening bevestigd. “… ook was Mozes een zeer gezien man in het land Egypte, bij de dienaren van Farao en bij het volk” (Exodus 11:3).
Dan komt de verlossing. Het volk trekt Egypte uit in de richting van de Schelfzee. God had Mozes gewaarschuwd dat Hij bij deze zee iets bijzonders zou gaan doen en dat voorgoed met Farao zou worden afgerekend. Benauwde uren hebben ze daar gehad, Mozes en het volk. Vóór hen het water en áchter hen de snel naderbij komende strijdwagens van Farao.
Hoe zou Mozes zich daar gevoeld hebben vraag ik me af. We weten het niet. Des te duidelijker staat beschreven hoe het volk zich voelde. Het begint Mozes verwijten te maken. “Wat hebt gij ons aangedaan door ons uit Egypte te leiden?” Nu de omstandigheden tegen hen zijn, onrust, zorg en vrees de kop opsteken, kijken ze naar Mozes en geven hem de schuld (en dat terwijl de wolkkolom hen leidde overdag en een vuurkolom ’s nachts!)
Als de omstandigheden tegen ons zijn, gevoelens van onrust, zorg en vrees de kop opsteken, dan kijken we zomaar naar mensen en geven hun de schuld.
De Israëlieten herinneren zich de felle discussie die ze in Egypte met Mozes hebben gevoerd over de onmogelijkheid van zijn plan en nu komen ze erop terug. “Hebben wij u dit niet al gezegd in Egypte: Laat ons met rust en laten wij de Egyptenaren dienen. Want wij kunnen beter de Egyptenaren dienen dan in de woestijn sterven” (Exodus 14:12).
Na de wonderbare doortocht door de Schelfzee komt het volk in de woestijn Sur. Drie dagen lang liep men door de woestijn zonder water te vinden. Een benauwende ervaring moet dat geweest zijn. Een heel volk (1½ à 2 miljoen mensen) maakt kennis met woestijnvijand nummer één: de dorst. Eindelijk komen ze bij Mara. Een gejuich gaat op … water!!! Maar dan de teleurstelling: het water is bitter, ondrinkbaar. De mensen worden boos op Mozes: “Wat moeten wij drinken?”, vragen ze.
Het probleem wordt bij Mozes neergelegd. Hoe moet hij zich gevoeld hebben? Daar zit je dan in de woestijn, je hebt dorst, het volk is kwaad en het water is bitter. “Mozes riep luid tot de Here”, staat er. Dat zegt iets over zijn gevoel. Dan wijst God een stuk hout aan dat gebruikt kan worden om het water gezond te maken en het volk te redden.
Vervolgens komt men in de woestijn Sin. Ruim een maand geleden is men uit Egypte vertrokken en nu doet zich een nieuw probleem voor: het eten raakt op. Men begin letterlijk honger te lijden en er is absoluut geen uitzicht op verbetering van de situatie. In Deuteronomium 8:3 zegt Mozes in zijn terugblik: “Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten…” Hieruit blijkt dat men dus letterlijk honger leed voordat God met een oplossing kwam. Weer zo’n benauwende ervaring.
Het volk kon kiezen: óf in geloof naar de wolkkolom opzien en van God verlossing verwachten óf naar Mozes opzien en gefrustreerd worden door een gevoel van onmacht en angst. Het volk koos voor het laatste. Men zei: “Och, dat wij door de hand van de Heer in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen.”
Gevoelsmatig is men helemaal van slag. Men doet nu net of God hen in Egypte had willen laten sterven en dat Mozes hen op een dwaalspoor heeft geleid. In geloof was men uitgetrokken, de wolkkolom achterna en tóch staken de onzekerheid en angst iedere keer de kop weer op. God redt hen dan door tijdig manna en kwakkels te zenden.
In Exodus 17 wordt beschreven dat men te Rafidim kwam. Daar wacht Mozes en het volk weer een beklemmende ervaring, want opnieuw was er gebrek aan water. Andermaal geeft men Mozes de schuld van de ellende.
“Toen riep Mozes luid tot de Here en zeide: Wat moet ik met dit volk doen? Nog een ogenblik en zij gaan mij stenigen!” Mozes ging voortdurend naar God met zijn problemen en daarom kwam hij steeds weer als overwinnaar naar voren, maar het moet gevoelsmatig toch wel moeilijk zijn geweest. Drie maanden ging dit zo door totdat men bij de berg Horeb kwam waar God als het ware op hen wachtte, zoals Hij beloofd had aan Mozes toen Hij hem riep op diezelfde berg.
Met verbazing las ik in Exodus 19:4 hoe God op dit kwartet van moeilijkheden en benauwende geloofservaringen terugkijkt. Hij zegt: “… gij hebt gezien, wat ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb.”
Ik dacht bij mezelf: Ziet God het werkelijk zo? Al die moeilijkheden en gevaren, het dorstlijden, bijna van honger omkomen, is dat een ‘op arendsvleugelen gedragen worden’? Het beeld dat ik bij deze uitspraak heb is het zitten in een stoeltjeslift en rustig -ver van alle gevaar en benauwdheid- omhoog gaan, de Here tegemoet.
Als jonge adelaars uit het nest worden geduwd door moeder adelaar, dan maken ze benauwde ogenblikken door. Af en toe dreigen ze op de rotsen te pletter te vallen omdat hun ongeoefende vleugelspieren het begeven. Juist op die momenten duikt moeder adelaar onder het jong en brengt het terug naar het nest.
Als adelaars konden praten zouden we twee verhalen kunnen horen: Het verhaal van het jong dat uitvoerig stilstaat bij alle benauwde ogenblikken en hoe het maar een háár had gescheeld en hij zou het er niet levend hebben afgebracht; en dan de lezing van moeder adelaar: steeds als je me werkelijk nodig had was ik bij je! Meer niet.
Er is een waarheid en een andere waarheid.
Conclusie? In geloof leven betekent niet dat we automatisch gevoelens van rust en vrede hebben. Er zijn tijden dat we moeten vechten tegen bezorgdheid en vrees. Maar… als we ons vastklampen aan de beloften van God -opzien naar de wolkkolom- dan zullen we deze woestijnervaringen te boven komen.
“Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing van de Heer zien, die Hij u heden bereiden zal…” (Exodus 14:13).
Augustus 1982