Sommige mensen kunnen dingen zo kernachtig uitdrukken. Onlangs zei een christenpsycholoog: ‘Geloven is: De juiste zinnetjes tegen jezelf zeggen.’
Het klinkt zo simpel, maar wat verwoordt deze omschrijving een diepe waarheid. Doen we dat niet allemaal: zinnetjes tegen onszelf zegen? Heel wat zinnetjes worden geformuleerd door ons gevoel. Een bevreesd mens zegt tegen zichzelf: ‘Dit gaat vast niet goed; dat kan ik toch niet; dacht ik het niet, we hadden er nooit aan moeten beginnen.’ Een overmoedig mens daarentegen zegt zinnetjes tegen zichzelf, die hem juist aansporen steeds grotere risico’s te nemen.
De Bijbel noemt deze ‘zinnetjes’: overleggingen, overwegingen, gedachten van het hart. In Psalm 14:1 staat bijvoorbeeld: “De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij bedrijven gruwelijke en afschuwelijke misdaden…”
Het denken van zo’n leugenzinnetje van vier woorden (Er is geen God) kan verschrikkelijke gevolgen hebben: niet alleen voor de persoon zelf, maar ook voor zijn omgeving.
Hoe anders was het met Jozef in het huis van Potifar (Genesis 39). Toen diens vrouw Jozef tot overspel wilde verleiden was zijn antwoord: “Hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God?” Hoe kon Jozef als slaaf op zo’n moeilijk moment een dergelijk zinnetje zeggen tegen de vrouw van zijn heer?
Omdat Jozef dit zinnetje al o zo vaak tegen zichzelf gezegd heeft. Plotseling komt naar boven wat in zijn hart leeft. Wat Potifars vrouw in haar hart had toegelaten als een ‘acceptabel misstapje’, noemt Jozef: “… een groot kwaad en zondigen tegen God.”
Geloven is: de juiste zinnetjes tegen jezelf zeggen. Jozef kwam in de gevangenis terecht. Welke zinnetjes heeft hij daar tegen zichzelf gezegd? De Bijbel zwijgt erover. Allerlei gevoelens van vrees, twijfel en zelfmedelijden moeten door hem zijn heengegaan. Maar deze gevoelens hebben uiteindelijk niet de zinnetjes gedicteerd die Jozef steeds maar ging herhalen, diep in zijn hart. Als hij dat had gedaan, zou hij een ongelovig en verbitterd man zijn geworden. Jozef bleef geloven en bleef zo bruikbaar voor God.
David, de zoon van boer Isaï, was niet zomaar een herdersjongen. Hij was er eentje van het heldhaftige soort. David had -jong als hij was- een leeuw en een beer verslagen. Bij de put van Bethlehem werd ongetwijfeld met respect over hem gesproken. Toen David aan koning Saul aanbood de strijd aan te binden met reus Goliath, keek de koning hem ongelovig aan (1 Samuel 17). Een herdersjongen strijden tegen een kampvechter als Goliath? Daarin kon Saul niet geloven. Davids reactie is opmerkelijk. Hij zegt: “De Here, Die mij gered heeft uit de klauwen van leeuw en beer, Hij zal mij ook redden uit de hand van deze Filistijn.”
Plotseling bleek wat leefde in het hart van die herdersjongen. Welke zinnetjes hij tegen zichzelf gezegd heeft, al die uren dat hij alleen was met de schapen. David heeft zichzelf niet verheerlijkt als een bijzonder dapper iemand. Nee, hij heeft het overwinnen van leeuw en beer gezien als Gods werk dóór hem. Dat heeft hij steeds tegen zichzelf gezegd en nu komt het er spontaan uit als een geloofsbelijdenis: ‘God heeft mij gebruikt om leeuw en beer te verslaan, zodat ik schapen kon redden; nu zal Hij mij gebruiken om Goliath te verslaan en zo mensen te redden.’
Diezelfde David heeft ook tijden gekend waarin hij verkeerde zinnetjes tegen zichzelf zei. In 1 Samuel 27:1 staat: ”David echter dacht bij zichzelf: Op de een of andere dag zal ik toch nog door de hand van Saul omkomen. Het is voor mij het beste, dat ik een toevlucht zoek in het land der Filistijnen…”
Maar David, je bent toch door God tot koning gezalfd? Gods belofte aan jou is nog niet in vervulling gegaan, hoe kun je dan zo denken? Deze logica kent David zelf ook wel, maar het helpt hem niet meer. Hij wordt als het ware moe van het zeggen van de juiste zinnetjes tegen zichzelf. Hij wil nu dat de omstandigheden eens wat meer zekerheid bieden, zodat hij niet steeds op beloften moet koersen om zichzelf en zijn mensen tot rust te brengen. David laat toe dat verkeerde zinnetjes door zijn hoofd malen.
Dat is ongeloof.
Het lijkt wel of Saul in Davids denken machtiger wordt dan God! Wat is het soms moeilijk om te blijven geloven; vooral wanneer de natuurlijke bronnen van jeugdig optimisme en persoonlijke flinkheid droog komen te staan.
Geloven is: de juiste zinnetjes tegen jezelf zeggen. Deze uitdrukking spreekt me aan, omdat ze zo nauw aansluit bij mijn ervaringen. De eerste 28 jaar van mijn leven heb ik geen geloofszekerheid gekend. Toen liet iemand mij 1 Johannes 5:11-13 lezen. Ik heb deze zinnetjes van buiten geleerd en steeds maar weer herhaald wanneer gevoelens van twijfel boven kwamen. Zo leerde ik geloof oefenen.
Dikwijls heb ik onder druk gestaan omdat er belangrijke beslissingen genomen moesten worden. In zulke situaties gebruik ik Psalm 32:8 veel: “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u; mijn oog is op u.”
Door steeds maar deze zinnetjes door mij heen te laten gaan kom ik dan tot rust.
Eens moesten we urenlang rijden naar een plaats waar een belangrijke beslissing genomen moest worden. Onder allerlei gesprekken door zei ik in gedachten steeds de zinnetjes uit Psalm 32 op. Ik stelde me daarbij God voor, Die vanuit de hemel op ons neerkeek en deze belofte aan ons persoonlijk aanreikte. Dat gaf een onbegrijpelijke vrede.
De laatste jaren heb ik moeilijke momenten gekend. Op zoveel vragen had ik geen antwoord en aan zoveel verwachtingen kon niet worden voldaan. Moe sliep ik ’s avonds in, maar veel te vroeg werd ik ’s morgens wakker. Wat doe je dan? Welke zinnetjes laat je door je hoofd gaan? Het enige wat mij dan helpt is het in gedachten opzeggen van enkele Bijbelverzen. Gods woord stellen tegenover mijn gevoelens van onmacht en vrees voor de toekomst.
Dan klem ik me vast aan een vers als Psalm 25:3: “Ja, allen die U verwachten, worden niet beschaamd, beschaamd worden wie trouweloos handelen zonder oorzaak.”
Kun je dat wel doen verzen uit hun verband halen en zo gebruiken, hebben mensen mij gevraagd. Daarover heb ik veel nagedacht. Wat betekent het eigenlijk Gods Woord in zijn verband gebruiken en uit zijn verband rukken?
Ik ben tot de conclusie gekomen dat er twee soorten verbanden zijn. Het eerste verband is het gedeelte waarin het vers staat. Als Jezus zegt: “Zoekt en gij zult vinden”, dan staat dat in een verband. Dat verband is belangrijk om ons te leren verstaan wat de werkelijke betekenis is van deze uitspraak: voor wie is ze bedoeld en op welke zaak heeft ze betrekking?
Dan is er een tweede verband. Dat is de context waarin we een woord van God kunnen gebruiken. Als ik worstel met geloofszekerheid, dan moet ik Bijbelgedeelten opzoeken die in dat verband antwoorden geven. Je haalt ze dan uit het eerste verband (bijvoorbeeld 1 Johannes 5) en je plaatst ze in het tweede verband, nl. tegenover je gevoelens van onzekerheid.
Jezus past dit in Mattheus 4 toe tijdens de verzoekingen in de woestijn. Hij haalt verzen uit het eerste verband (Deuteronomium 6 en 8) en plaatst ze in het verband van de geestelijke strijd van dat moment. Satan gaat dan ook Gods Woord citeren.
Hij neemt 2 verzen uit Psalm 91 (het eerste verband) en zegt dat Jezus op basis van deze belofte Zichzelf naar beneden kan werpen. Het tweede verband -de toepassing- is echter fout. Deze belofte uit Psalm 91 is niet voor mensen die roekeloos naar beneden springen, maar voor mensen die in gevaar bij God gaan schuilen. Dat laat nu juist het eerste verband zien.
In de loop der jaren heb ik heel wat Bijbelgedeelten gememoriseerd. Dat is uiteraard een hulp bij het gebruiken van de Bijbel. Het is mij echter opgevallen hoe weinig teksten ik, als het gaat om het voeren van een geestelijke strijd, nodig heb zoals hiervoor beschreven.
Met enkele zinnen doe je dan al veel. Maar die gedeelten moeten wel verband houden met de strijd die je te voeren hebt! Zonder die teksten zou ik niet weten wat te doen in tijden van grote druk.
Immers, geloven is: de juiste zinnetjes tegen jezelf zeggen. Dat geldt wel in het bijzonder als het water je tot aan de lippen stijgt.