Siersteenlaan 480 te Groningen / 06-17984365 Iedere zondag welkom vanaf 10 uur

De gemeente - het volk van God 1

De gemeente – het volk van God – 


Als de bijbel spreekt over de gemeente, wat wordt daarmee dan bedoeld? Hoe moeten we aankijken tegen de veelheid van kerken en gemeenten om ons heen?

Hoe passen christelijke organisaties in dit geheel?

Het woord gemeente komt van het Griekse woord ekklesia. Het betekent: bijeenkomst, vergadering of: godsdienstige vereniging.

De christenen vormden in de eerste eeuw ‘de ekklesia van God’,  een variant op bestaande religieuze verenigingen in die tijd.

Het volk van God – in het Oude Testament –


In Psalm 80: 9,10 staat: “Gij hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven, Gij hebt volken verdreven en hem geplant.  Gij hebt (de grond) voor hem toebereid, zodat hij wortelen schoot en het land vulde.”


Het volk van God uit het Oude Testament werd dus vergeleken met een wijnstok. Het werd uit Egypte uitgegraven, gevormd in de woestijn en daarna geplant in het beloofde land Kanaan.  Als Stefanus in Handelingen 7:38 spreekt over het volk Israel, dan noemt hij het de ‘ekklesia’ , de gemeente of vergadering in de woestijn.

In die dagen was het volk van God dus zichtbaar en bij elkaar.

Later werd het veel moeilijker om te zeggen: “kijk daar is het volk van God”.  Het volk verviel na verloop van tijd immers uiteen in twee koninkrijken, Israel en Juda.  Eén volk maar twee koninkrijken.

Weer later werd Israel weggevoerd door de Assyriers. Ook Juda ging in ballingschap, maar na 70 jaar keerde een gedeelte van het volk naar Palestina terug. De wijnstok uit Egypte, eerst zo duidelijk zichtbaar en bij elkaar als de vergadering in de woestijn was voorgoed uit elkaar gevallen en een ‘onzichtbaar’ volk geworden, verstrooid onder andere volken.


Het volk van God – in het Nieuwe Testament


In Johannes 15 komt Christus met een volkomen nieuw begrip. Hij zegt: “Ik ben de ware wijnstok”

Waar betekent: echt, origineel, ideale wijnstok. Het volk Israel, destijds ‘uitgegraven’ uit Egypte was slechts een schaduw van wat later komen zou: De Ware Wijnstok. “Jullie zijn de ranken,”zegt Jezus tegen zijn discipelen. Christus en zijn volgelingen, samen vormen ze de “Ware Wijnstok”, het nieuwe volk van God.

De wijnstok is een goddelijke wijnstok.


De ranken zijn mensen, die afzonderlijk in de wijnstok ingeplant worden. Als ranken ontvangen ze goddelijke kracht door de Heilige Geest.    “…..want zonder Mij kunt gij niets doen”, zegt Jezus.  Deze wijnstok gaat groeien, niet doordat de discipelen kinderen en kleinkinderen krijgen zoals vroeger bij de Israelieten, maar doordat de mensen tot bekering komen en zich als ranken laten inplanten in de Ware Wijnstok.


Ook deze ‘ekklesia’  van God, deze nieuwe vergadering, is zichtbaar en bij elkaar, precies zo als eerst de ‘vergadering in de woestijn’.

In Handelingen 5:12,13 staat: “…en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het volk stelde hen hoog.”


Er was een duidelijke scheiding tussen ‘het nieuwe volk van God’ en de rest om hen heen. Het volk had respect voor hen (de christenen), maar men durfde zich niet bij hen aansluiten, want men voelde kennelijk dat je een speciale kracht moest bezitten – de kracht van de Geest- om bij deze groep te kunnen behoren.

Bleef deze ‘ekklesia’, deze gemeente van God, puur, zichtbaar en bij elkaar? Allerminst.


In Handelingen 5 lezen we het verhaal van Ananias en Saffira, die toelieten dat de satan hun hart vervulde. In hoofdstuk 6 wordt beschreven hoe de Grieks-sprekende discipelen ruzie maakten met de Hebreeen, omdat hun weduwen verwaarloosd werden.


Hoofdstuk 7 verhaalt ons hoe God het toeliet dat de gemeente verstrooid werd door de vervolging. De  gelovigen werden als zaad uitgestrooid op de akker van de wereld, midden tussen de ongelovigen.


Zo werd de nieuwe gemeente, een onzichtbare gemeente, een volk van God, verstrooid over de wereld. Als we ’s-Zondags belijden: “Ik geloof in één heilige algemene christelijke kerk,”dan bedoelen we daarmee de Ware Wijnstok en al de ranken; Christus en de gelovigen, van alle tijden, over de hele wereld verspreid.

Samen vormen ze de ‘ekklesia’, de gemeente van God waarover Christus zegt: “Ik zal mijn gemeente bouwen” (Mattheus 16:18)


Gemeente als plaatselijke groep


In het Nieuwe Testament wordt het woord ekklesia ook in een tweede betekenis gebruikt namelijk voor een plaatselijke groep gelovigen. In Mattheus 18:17 zegt Christus bijvoorbeeld dat we met een broeder, die zondigt en naar onze vermaning niet wil luisteren, naar de gemeente moeten gaan.

Hiermee wordt uiteraard een zichtbare, plaatselijke groep gelovigen bedoeld. In Openbaring 2 en 3 dicteert Christus brieven aan de zeven gemeenten in Klein Azie. Ook hier heeft het woord ‘gemeente’de betekenis van een plaatselijke groep gelovigen.


Deze plaatselijke gemeenten beginnen dikwijls heel goed, maar na verloop van tijd komt er onkruid tussen het koren. Paulus voorspelt dat bijvoorbeeld aan de leiders van de plaatselijke gemeente van Efeze.


In Handelingen 20:29,30 zegt hij: “zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken.”


Het is dus een kwestie van tijd en de plaatselijke kerk bestaat uit een gemengde groep van gelovigen en ongelovigen. Of, zoals Christus het zegt in Mattheus 13:25: “koren en onkruid.”


Wij hebben de neiging om plaatselijke kerken en gemeenten op te delen in korenkerken en onkruidkerken, dat wil zeggen kerken waar men echt gelooft en kerken waar men vrijzinnig, ongelovig is. De bijbel leert echter wat anders: het onkruid wordt midden tussen het koren gezaaid, zegt Jezus in de gelijkenis van Mattheus 13.


De plaatselijke gemeenten kunnen onderling wel een stuk verschillen in kwaliteit wat geestelijk leven betreft.

In Klein-Azie waren bijvoorbeeld de gemeenten van Smyrna en Filadelfia levende en toegewijde kerken, terwijl de gemeente van Laodicea geestelijk lauw wordt genoemd.


Van Sardes zegt Christus zelfs dat ze geestelijk dood is. Er zijn daar slechts enkele gelovigen over, die trouw gebleven zijn. (Openabring 3:1-6)


Samenvatting:

Het woord gemeente (ekklesia) heeft in de bijbel dus twee betekenissen:


1.De ware wijnstok en al de ranken, Christus en al de gelovigen. We noemen deze gemeente ook wel de

‘onzichtbare kerk’.  Een veel gebezigde naam is ook: het lichaam van Christus (naar Efeziers 1:22,23).


Deze gemeente, die Christus in Mattheus 16:18 ‘mijn gemeente’noemt, heeft als kenmerken: ze is
één; algemeen; blijvend; en bestaat alleen uit ware gelovigen.

2 Plaatselijke gemeente: Hierover spreekt Christus in Mattheus 18:17 als Hij de opdracht geeft: zeg het aan ‘de gemeente’.

De kenmerken van deze plaatselijke gemeenten zijn: er zijn er heel veel; ze zijn plaatselijk; niet blijvend; een mengeling van ware gelovigen en ongelovigen (koren en onkruid)



Gert Doornenbal   Juni 84


Het bloed van Jezus...

Geestelijke groei, gave en opgave...

Er is in de liefde geen vrees...

Gemeente, het volk van God, deel I...