In deel I heb ik geschreven over twee betekenissen in de bijbel van het woord gemeente (ecclesia).
De eerste betekenis is: Christus en alle gelovigen; de Ware wijnstok en alle ranken.
We spreken in dit verband over de ‘onzichtbare kerk, omdat de gelovigen over de hele wereld verspreid zijn en deel uitmaken van allerlei plaatselijke kerken, gemeenten en groepen. De tweede betekenis van het woord gemeente is: een plaatselijke groep gelovigen. Deze gemeente is wèl zichtbaar en heeft dus een plaatselijk karakter.
Geestelijk verval.
Verder hebben we gezien, dat de plaatselijke gemeenten voortdurend aan geestelijk verval onderhevig zijn. Midden tussen het koren – de ware gelovigen- wordt het onkruid gezaaid zegt Jezus in Mattheüs 13:25 en daardoor zet het geestelijk verval in. Alle structuren op deze aarde zijn aan bederf onderhevig omdat wij zondige mensen zijn.
In Openbaring 3 noemt Christus de gemeente van Laodicea geestelijk lauw en de gemeente van Sardes wordt zelfs als geestelijk dood beschreven. Vanaf het begin van de kerkgeschiedenis is er dus een niet aflatende tendens geweest tot geestelijk verval in de plaatselijke gemeenten.
Het is belangrijk dat we dit goed beseffen zodat we niet op zoek gaan naar de volmaakte of bijna volmaakte gemeente want die bestaat niet. Er is maar één volmaakte gemeente, dat is de ‘onzichtbare kerk’; de Ware Wijnstok en de ranken.
Alle plaatselijke gemeenten zijn onvolmaakt, voortdurend onderhevig aan geestelijk verval.
De ene plaatselijke gemeente kan geestelijk wel veel vitaler zijn dan de andere, maar alle blijven onvolmaakt. We mogen dus niet een bepaalde plaatselijke kerk of kerkgenootschap als ‘de kerk van Christus’ bestempelen, want dè kerk van Christus is niet plaatselijk maar omspant plaatselijke kerken, groepen en kerkgenootschappen.
Geestelijke vernieuwing.
Tegenover het geestelijk verval plaatst God geestelijke vernieuwing. Door de hele kerkgeschiedenis heen lezen we over profeten, apostelen, evangelisten, monniken, kerkhervormers, opwekkingspredikers die oproepen tot bekering.
Een terugkeer tot de paden van geloof en onverdeelde toewijding tot God. Dikwijls heeft dit geleid tot het stichten van nieuwe kerkgenootschappen en gemeenten.
Zo'n 2000 jaar kerkgeschiedenis, gekenmerkt door geestelijk verval en vernieuwing, heeft dan ook geleid tot een bonte verzameling van plaatselijke kerken, gemeenten, groepen en christelijke organisaties. Het is dikwijls niet eenvoudig om temidden van zoveel verscheidenheid je positie te bepalen.
Het resultaat van meer dan 2000 jaar kerkgeschiedenis – hoe leef je daar nu mee?
Graag wil ik puntsgewijs enkele gedachten ter overweging geven:
1. Onze identiteit moeten we voortdurend zoeken in het deel hebben aan de ‘ene heilige algemene kerk’.
We zijn als ranken ingeplant in Christus. Hem behoren we toe. Deze belijdenis tilt ons uit boven de muren van kerken en gemeenten. Zo kunnen we de ware eenheid rond Christus ervaren met andere gelovigen, ongeacht tot welke plaatselijke structuur ze horen.
2. De taak van plaatselijke kerken en gemeentes is om mensen te helpen ingeplant te zijn in de wijnstok
-Christus- en vrucht te dragen. Hierop moet elke gemeente zichzelf beoordelen: zijn onze mensen persoonlijk ingeplant in de Ware Wijnstok en dragen ze vrucht?
3. Als persoon of als gezin moeten we ons de vragen stellen:
a. Wat hebben we nodig aan geestelijk onderricht, stimulans en mogelijkheden tot gezamenlijke lofprijzing?
b. Waar kunnen we persoonlijke, geestelijke relaties ontwikkelen voor hulp, troost, bemoediging en verantwoording? (denk bijvoorbeeld aan het uitwisselen van een bijbelstudie in een kleine groep.)
c. Waar zijn mogelijkheden tot vruchtdragen? Er is een oogst voor Christus binnen te halen. We hebben toerusting en leiding nodig om bij dit proces betrokken te zijn.
4. Als Christus in Openbaring 2en 3 zijn brieven dicteert aan de 7 gemeenten in Klein Azië, spreekt Hij in elke brief over: “wie overwint…….” H Hieruit kunnen we afleiden dat geestelijke overwinning in geen enkele plaatselijke gemeente vanzelfsprekend is, maar ook nergens onmogelijk.
5. Afhankelijk van persoonlijke overtuiging en omstandigheden, kerkelijke achtergrond en de plaats waar
we wonen, kunnen we kiezen uit drie mogelijke alternatieven:
a. We sluiten ons aan bij een levende gemeente zoals de Filadelfia-gemeente uit Openbaring 3. We krijgen daar onze geestelijke voeding en stimulans. We ontwikkelen in deze gemeente onze persoonlijke geestelijke relaties en worden daarbij ook toegerust en begeleid om geestelijk vrucht te dragen (zie de drie basisbehoeften in punt 3).
b. We maken deel uit van een levende Filadelfia-gemeente waar we onze geestelijke voeding en gemeenschap ontvangen, maar voor het vruchtdragen in de oogst laten we ons toerusten en stimuleren door een christelijke organisatie die deze facetten van geestelijk werk als speciale roeping heeft.
c. Wij blijven lid van een geestelijk ‘lauwe’of ‘dode’ gemeente. Deze termen gebruikt Christus als Hij de gemeente van Laodicea en Sardes beschrijft. Kiezen we voor dit alternatief, dan worden we als het ware ‘zendeling in eigen gemeente’. Een geestelijk eenzame positie met wel unieke kansen om”…..het overige te versterken dat dreigt te sterven…”(Openbaring 3:2). We moeten als ‘zendeling’ bijzondere maatregelen treffen voor eigen geestelijke voeding en gemeenschap.
Soms kan een christelijke organisatie ons daarbij helpen, soms moeten we het initiatief nemen en ons met andere ‘overwinnaars’een hecht geestelijk team te vormen. Van groot belang is ook dat er voor de kinderen een geestelijk ontwikkelingsklimaat aanwezig is. ‘Zendeling’ zijn geeft dikwijls unieke mogelijkheden, maar het vraagt ook om extra volharding en veel creativiteit.
Voor een ieder van ons geldt in deze zaak dat we persoonlijk naar God moeten gaan met de vraag: Heer wat wilt U dat ik (mijn gezin) doen zal?
Bij het maken van deze keuze mogen we een beroep doen op de belofte van God in Psalm 32:8:
“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u, mijn oog is op u.”
Gert Doornenbal
juli 1984