Als jongen hoorde ik mijn vader eens iets vertellen wat ik niet begreep, maar kennelijk heeft het zo’n indruk op mij gemaakt dat ik het me nu nog kan herinneren. Bij ons op het dorp woonde een godvrezende boer. Toen zijn kinderen hem eens vroegen wat het geheim is van een godvrezend leven moet hij geantwoord hebben: ‘Ootmoed, jongens, ootmoed.’ ‘En dan vader, wat komt er dan?’ vroegen de kinderen. ‘Ootmoed, jongens, ootmoed.’ Dat was het verhaal dat mijn vader meer dan dertig jaar geleden vertelde en waaraan ik nog steeds terugdenk.

Ootmoed of ootmoedigheid is een heel speciaal Nederlands woord, dat in het Engels vertaald wordt met humility (nederigheid), meekness (zachtmoedigheid), submission (onderdanigheid) of lowliness of mind (niet zo hoog van jezelf denken). Ootmoedigheid is een positief woord, terwijl kleinmoedigheid juist een negatief woord is. Een kleinmoedig mens is bang door gebrek aan geloof, terwijl ootmoed juist getuigt van een groot geloof, niet in jezelf, maar in God.
‘Oot’ komt van het woord ‘ootje’ = nulletje. Ootmoedig betekent dus eigenlijk nulmoedig. Je moed is tot een ootje, een nulletje gedaald (professor Pop in zijn boek ‘Bijbelse woorden en hun geheim’). Een ootmoedig mens verwacht het helemaal van God. In zijn getuigenis over Zichzelf in Johannes 5 zegt Jezus tot tweemaal toe dat Hij van Zichzelf niets kan doen.
Toen ik in december een kerstmeditatie voorbereidde werd ik opnieuw bepaald bij de vraag: ‘Mogen we eigenlijk wel kerstfeest vieren? Is de toestand van de wereld niet zó dat feestvieren ongepast wordt?’ Daarover mediterend trof het me hoezeer het kerstfeest een werelds feest is geworden. Ieder jaar zijn er zoveel kerstboodschappen en kerstfeestvieringen waar mensen nagaan of we al een beetje verder zijn met het goed zijn voor elkaar en of de oorlogsdreiging al begint af te nemen – vrede op aarde bij mensen van goede wil.
Over God spreekt men dikwijls niet, maar wel over de noodzaak dat er meer en meer mensen komen van goede wil. Hoogmoed is dat. Nog steeds denken we dat we het als mensen zelf wel kunnen rooien.
Dan zijn er de mensen die juist heel pessimistisch denken over de toekomst en iedere vorm van feestvieren ongepast vinden omdat er hoegenaamd geen hoop meer is. Dat is kleinmoedigheid.
De wereld om ons heen is vol met hoogmoedige en kleinmoedige mensen; maar voor hen is het kerstfeest er niet, dacht ik bij mezelf. Het kerstfeest is er voor de ootmoedige mens. De mens die het niet meer van zichzelf verwacht, maar van God. Voor die mens is en blijft de geboortedag van Gods Zoon een feestdag, omdat hij daarop al zijn hoop heeft gevestigd. Immanuël, God met ons!
Met deze hoop is er voor ootmoedige mensen reden om elkaar een gezegend nieuwjaar te wensen, want ootmoed spreekt uit de woorden van Romeinen 8 “… dat God alle (!) dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben” (vers 28). “Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?” (vers 31). Toen ik wat in de put zat heb ik dit zinnetje diverse keren hardop herhaald! “Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft (het begon met kerst zogezegd), ons met Hem ook niet alle (!) dingen schenken?” (vers 32).
Toen ik dit allemaal combineerde kwam er een diepe overtuiging in me: kerstfeest is het feest voor de ootmoedigen! Jesaja 61:1 onderstreepte deze gedachte: “De Geest des Heren Heren is op Mij, omdat de Here Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen…” aan mensen als Zacharias en Elisabeth, Jozef en Maria, de herders, Simeon en Anna… mensen wier moed tot een ootje, een nulletje is gedaald als ze het van zichzelf moeten verwachten. Voor hen kwam de blijde boodschap… ‘God komt eraan om te helpen.’
Ik ben bezig Jesaja 29:19 te memoriseren. Daar staat: “En ootmoedigen zullen steeds meer vreugde hebben in de Here…” Bij de zoogenaamde nulmoedigen zal de vreugde dus toenemen, maar het is een andere vreugde dan we vroeger kenden. Het is een vreugde in God. In wat Hij voor ons gedaan heeft, doet en zal blijven doen. Ootmoed betekent dat we leeg zijn, leeg van eigen willen en eigen kunnen, zodat God ons kan vullen met Zijn willen en Zijn kunnen. Ootmoed maakt ons tot mensen met een gevoelig oor voor het Woord van God, want we willen Zijn wil kennen. Ootmoed maakt ons tot mensen die tijd kunnen vinden voor gebed, want we willen leven uit Zijn kracht. Het resultaat zal zijn: steeds meer vreugde in de Here.
Het kan gezond zijn om jezelf eens de vraag te stellen: ‘Wie ben ik voor God?’ Paulus zegt bijvoorbeeld in 2 Corinthiërs 13:5: “Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf.” In 2 Timotheus 2:15 schrijft hij: “Maak er ernst mede u wél beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen…” Ootmoed legt de focus echter niet op de vraag: ‘Wie ben ik voor God?’ maar op ‘Wie is God voor mij?’ Niet uit zelfzucht doet de ootmoedige mens dat, maar omdat hij is vastgelopen door maar steeds zichzelf evaluerend te vragen: ‘Wie ben ik voor God?’
De ‘wet’ in ons zegt: eerst toewijding (de basis!), dan zegen. Maar als Gods kinderen leven we niet ‘onder de wet’. De ‘genade’ in ons zegt: eerst Gods liefde (de basis!), dán zegen, dán toewijding, dán vrucht. ‘Wie ben ik voor God?” een gezonde vraag, als onze focus gericht blijft op de vraag: ‘Wie is God voor mij?’ Als we hier denken in termen van óf-óf, dan polariseren we tot ons eigen onheil.
‘Vader, wat is het geheim van een godvrezend leven?’ vroegen de kinderen aan de oude boer in mijn geboortedorp. ‘Ootmoed, jongens, ootmoed’ was het antwoord. Ik begin het nu te begrijpen. Nulmoedig zijn als we denken aan onze verlossing. Er is absoluut geen hoop voor ons mensen als we op onszelf zien. Alleen verzoening door het kostbare bloed van Christus op Golgotha kan ons redden. ‘En dan vader, wat komt er dan?’ ‘Ootmoed, jongens, ootmoed.’ Ik begin langzamerhand te begrijpen wat deze man bedoelde; welke hoop heb ik ten aanzien van mijn heiliging, mijn meer op Christus gaan lijken, als God me niet helpt?
Alleen door de Geest kan ik de werkingen des lichaams doden (Romeinen 8:13). Dat is ootmoed. Nulmoedig zijn als je op jezelf ziet. ‘En daarna, vader, wat komt daarna?’ ‘Ootmoed, jongens, ootmoed.’ Na ons aardse leven met rechtvaardiging (verlossing) en heiliging (het leren leven in dienst van Christus) komt onze verheerlijking (het ontvangen van onze erfenis als mede-erfgenamen van Christus). Welke houding past op de dag van onze verheerlijking? … ootmoed! In ‘nulmoedigheid’ over eigen kunnen zullen we zingen: ‘Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen alle eer, alle heerlijkheid en alle lof…’
‘En ootmoedigen zullen steeds meer vreugde hebben in de Here.’
Februari 1982