Siersteenlaan 480 te Groningen / 06-17984365 Iedere zondag welkom vanaf 10 uur

Plaats voor Gods beloften

De laatste tijd heb ik veel nagedacht over persoonlijke geestelijke vernieuwing en de rol die Gods Woord daarin speelt. In Johannes 8 zegt Jezus tegen de Joden die in Hem geloofden: “Als gij in Mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken”(vers 31, 32).

Even later zeg Hij: “… gij tracht Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen plaats vindt:  (vers 37). Bij uitdrukkingen als : “in het woord blijven “ en “het woord plaats geven “ denken we bijna automatisch aan het gehoorzamen van geboden. Het accent  leggen we dus gemakkelijk op wat wij moeten weten en doen.  Toch is dat niet wat voorop behoort te staan.

Toen ik aan de hand van bijbelse voorbeelden en eigen ervaringen daarover verder ging nadenken, kwam ik tot een andere conclusie. Als we  “in Christus” Woord willen blijven” en “Zijn Woord plaats willen geven” , dan betekent dat bovenal dat we Gods beloften kennen en ons daaraan vasthouden.

Het accent moet dus liggen op wat God voor ons heeft gedaan en nog zal doen. Als we aan deze beloften ruimte geven in ons hart, dan zal het Woord ons tot bevrijde mensen maken.

Mensen die van harte kunne instemmen met de woorden van  Jesaja 12:2 :  “Zie , God is mijn heil, ik vertrouw en vrees niet, want mijn sterkte en mijn psalm is de Here Here, en Hij is mij tot heil geweest. “

“… omdat mijn woord bij u geen plaats vindt, “ zie Jezus. Het Griekse woord voor ‘plaats’, dat hier gebruikt wordt betekent: ruimte voor ontwikkeling.

Een plaats, een akker waar het Woord kan wortelschieten, groeien en vruchtdragen. In ons leven moeten de beloften van God ruimte krijgen voor ontwikkeling. We moeten er zo mee leren leven dat ons denken, voelen, spreken en handelen er helemaal van doortrokken wordt.

Wat is  het dikwijls een strijd, een geestelijke strijd, om Gods beloften deze plaats, deze ruimte voor ontwikkeling te geven in ons hart. Ook Abraham, die ‘de vader van alle gelovigen’ genoemd wordt, heeft zelf veel moeite gehad om in ieder opzicht ruimte te scheppen in zij hart voor de kostbare beloften die God hem persoonlijk gegeven had.

Abraham en Sara in Egypte

In Genesis 12:1-3 wordt beschreven hoe Abraham geroepen wordt om naar een vreemd land te gaan, het land Kanaan. God geeft hem een duidelijke, veel belovende belofte mee: “Ik zal u  tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot  een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.”

Kan het nog duidelijker? Je zou zeggen, deze belofte moet Abraham toch wel tot een zeer vrijmoedig en zeker man gemaakt hebben. Wat kan er eigenlijk nog mis gaan als God zo duidelijk voor je is, en je Zijn bescherming en hulp aanbiedt? Toch blijft Abraham op een bepaald terrein heel erg bang en onzeker.

Enkele verzen later lezen we dat Abraham naar Egypte reist, omdat een hongersnood in het land Kanaan is uitgebroken. Hij is echter bang dat de Farao hem zal doden, om zo met zijn vrouwe Sara te kunnen trouwen (zo deden de vorsten dat blijkbaar in die dagen als ze een mooie vrouw zagen die reeds gehuwd was).

Wat doet Abraham? Hij schijnt zo vol vrees te zijn over de gevaren in Egypte, dat hij kennelijk helemaal vergeet welke belofte God hem gegeven heeft. Voor die belofte is in zijn hart op dat moment geen plaats. Hij vraagt Sara of zij zeggen wil dat zij Abrahams zuster is, in plaats van zijn vrouw. (Dat was gedeeltelijk waar, want ze was zijn half-zuster).

Sara doet dat en zo belandt ze in het huis van Farao. Hoe lang ze daar geweest is, weten we niet. God sloeg Farao en zijn huis met zware plagen en dan ontdekt Farao dan Abraham en Sara hem bedrogen hebben. Alles wordt weer rechtgezet, maar er was veel leed berokkend en Gods naam was onteerd.

Stel dat Abraham en Sara elkaar herinnerd hadden aan Gods beloften uit vers 3. Zou dan alles niet anders gelopen zijn? Ze hadden in hun gebed tot God kunnen zeggen: “Heer, U hebt beloofd ons te zullen zegenen en ons tot een groot volk te maken. Maar er is hongersnood in Kanaan en we dreigen te sterven.

In Egypte is voedsel, maar we zijn bang dat Farao Abraham zal doden om zo met Sara te kunnen trouwen. Wat wilt U dat we zullen doen? Welke geloofsdaad verwacht u van ons? In Kanaan blijven en de hongersnood trotseren, of naar Egypte gaan met het risico dat de Farao ons kwaad zal Doen? “

Zou God hen niet geantwoord hebben? Het lijkt wel of Abraham en Sara op dat moment aan Gods belofte helemaal niet dachten. Hun denken, voelen, spreken en handelen was niet doortrokken van het geloof dat God voor hen zou zorgen. Ze namen het lot in eigen hand en handelden niet als ‘bevrijde mensen’ die plaats geven aan Gods Woord.

Abraham en Sara in Gerar

In Genesis 20 wordt ons verteld dat Abraham en Sara opnieuw dezelfde fout maken, maar nu bij Abimelech, de koning van Gerar. God verschijnt in een droom aan bimelech om hem te waarschuwen. Wat een vernedering moet dat voor Abraham en Sara geweest zijn. In vers 13 vertelt Abraham heel eerlijk aan de koning wat er in zijn hart leeft.

Hij zegt:
“Toen God mij uit mijns vaders huis liet omzwerven, zeide ik tot Sara: Dit zal de liefdedienst zijn, die gij mij bewijzen zult: zeg van mij op elke plaats, waar wij komen: hij is mijn broeder.”

Uit dit getuigenis blijkt dat Abraham in wezen dus twee beslissingen genomen had. In gehoorzaamheid aan Gods opdracht is hij gaan omzwerven. Dat was een daad van geloof, want je familie verlaten en met je bezit gaan omzwerven was niet zonder gevaar.

Naast deze geloofsbeslissing nam Abraham echter nog een beslissing, namelijk om God niet te vertrouwen als men naar Sara zou vragen. In die gevallen zouden ze zich er met een halve leugen proberen uit te redden en maar zien wat ervan komt. Er was dus een terrein van vrees in hun hart waar Gods belofte niet toegelaten werd. Die kon daar zijn bevrijdende en vernieuwende werking niet doen. Geen plaats, geen ruimte voor ontwikkeling. Dit voorbeeld van de ‘vader en moeder der gelovigen’ heeft diepe indruk op mij gemaakt. Abraham, die altijd zo trouw Gods opdrachten uitvoert, tot het offeren van Isaak toe, ook hij had moeite om Gods beloften de ruimte te geven voor ontwikkeling in zijn hart. Daarom werd een  bepaald terrein van zijn leven niet bevrijd en vernieuwd. Wat een aansporing voor ons, om Gods beloften te kennen en ermee te leven!


De oogst is wel groot...

Een oase ligt in de woestijn...

Het geheim van geestelijke groei...

Het bloed van Jezus...