Onlangs heb ik op een dag van de Evangelische Traktaatzending gesproken over het het thema “ontdek het zendingsveld naast uw deur”, gaf God mij twee kernwoorden waarmee ik de mensen in dit verband kon helpen:
Vreemdeling en vriend.
Als we aan een zendingsveld denken, denk je bijna automatisch aan het vreemdeling zijn.
De zendeling is anders, behoort tot een ander volk, en komt met een boodschap van redding naar mensen in nood. Over het vreemdeling-zijn kun je tot de conclusie komen dat we in deze jaren steeds meer ‘vreemdelingen’ in onze eigen omgeving zullen worden, omdat de mensen om ons heen hun denken en doen steeds minder laten bepalen door bijbelse normen.
“….het zendingsveld naast de deur”, was het thema. Dat bracht me op het kernwoord vriend. Mensen willen liever niet met vreemdelingen werken en naast vreemdelingen wonen. Zij hebben juist behoefte aan vrienden en vriendinnen, mensen door wie ze zich geaccepteerd en begrepen voelen.
Ondanks hun op bepaalde terreinen ‘anders zijn’ willen ze gewaardeerd worden om wie ze zijn.
Is het mogelijk om tegelijk vreemdeling en vriend te zijn in deze wereld? We weten uit het leven van Jezus dat dit kan. Jezus was een echte vreemdeling op aarde.
Zijn denken en doen werden bepaald door hemelse waarden en standaarden. Jezus was echter ook vol liefde. Dat maakte het voor Hem mogelijk behalve een vreemdeling ook een vriend te zijn. Niet alleen van zijn discipelen, maar eveneens van tollenaars en zondaren. Als wij ons volledig aan Jezus geven, ons volkomen laten leiden door zijn Woord dan zijn wij echte vreemdelingen op deze aarde, maar we ontvangen door de kracht van Woord en Geest ook de liefde om vrienden te worden van vele mensen om ons heen.
Zendeling zijn betekend dus vreemdeling/vriend zijn. Een zendeling die niet bereid is de taal te spreken van de mensen onder wie hij werkt, geen achting heeft voor hun gewoonten en gebruiken, geen ontferming over hun nood , zal weinig of niets kunnen uitrichten.
Men zal hem en zijn boodschap verwerpen. Als hij hen wil bereiken moet hij naast vreemdeling ook hun vriend willen zijn. Dit brengt mij terug op het onderwerp vriendelijkheid.
Hoe komt het toch dat we als christenen soms zo onvriendelijk kunnen zijn? vroeg ik me af.
De bijbel leert in Filippenzen 4:5 “Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend.” Paulus zegt in 2 Corinthiers 10:1: “Ik doe een beroep op u bij de zachtmoedigheid en vriendelijkheid van Christus.”
In Jacobus 3:17 staat: “Maar de wijsheid van boven is vooreerst rein, vervolgens vreedzaam, vriendelijk, gezeggelijk…….”
Argumenten te over, dat we altijd vriendelijk moeten zijn!
Toch zijn er christenen die naar ze zeggen, bijbelvast leven, maar niettemin heel onvriendelijk kunnen doen, vooral ten opzichte van hen die zich niet houden aan de bijbelse leer. Hoe komt dat? Ik heb twee redenen gevonden:
Johannes de Doper zegt tegen de Farizeeën en Sadduceeën: Adderengebroed (Mattheus 3:7).
Jezus noemt hen in Mattheus 23 huichelaars, blinde wegwijzers, dwazen en blinden, gewitte graven, slangen, adderengebroed, enzovoort.
Stéfanus zegt in Handelingen 7 – vol van de Heilige Geest! – “Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest” (vers 51).
Paulus zegt in bepaalde brieven ook rake – onvriendelijke dingen, bijvoorbeeld over de Corinthiers en de Galaten.
Er is dus kennelijk ruimte voor onvriendelijke uitdrukkingen. Ze kunnen ingegeven worden door een diepe emotionele, door de Heilige Geest geleide bewogenheid, waarbij men om vermaning te ‘communiceren’ naar ‘uiterste middelen’ grijpt.
Opvallend echter zijn andere demonstraties van bewogenheid die deze boetepredikers kenmerkten. Johannes de Doper stierf de martelaarsdood, omdat hij Herodes vermaande over zijn overspelig leven.
Het laatste gebed van Stéfanus was: “Here, reken hun deze zonde niet toe!”
Lucas schrijft roerend: “en met deze woorden ontsliep hij”. Jezus ging vrijwillig naar het kruis om ook Farizeeën en schriftgeleerden te kunnen redden. Door dit vrijwillige offer voor alle mensen, kon Saulus, de Farizeeer, Paulus, de vriend worden.
Paulus schrijft aan de Corinthiers: “Ik voor mij zal zeer gaarne offers brengen, ja, mijzelf opofferen voor uw zielen. Ontvang ik soms minder liefde, naarmate ik u meer liefheb?” (2 Corinthiers 12:15)
Bewogen mensen, die bereid waren te sterven voor de mensen die ze wilden bereiken, hebben soms harde dingen gezegd.
Laten we niet de fout maken de zaak om te keren, zo van als je harde dingen zegt, ben je kennelijk bewogen en vol ontferming.
Farizeeën en Sadduceeën waren er meesters in om elkaar en anderen onvriendelijk te bejegenen.
Van bewogenheid was echter geen sprake.
Dat brengt mij automatisch bij de tweede reden waardoor we onvriendelijk kunnen zijn.
Het is juist een gebrek aan ontferming en bewogenheid dat ons onvriendelijk doet reageren.
We komen dus tot een merkwaardige conclusie: door gebrek aan bewogenheid en ontferming ga je onvriendelijk reageren tegen vijand (en soms vriend!), terwijl je eventueel als excuus de bijbelse voorbeelden gebruikt van mensen die juist uit bijzondere bewogenheid tot de ‘uiterste’ middelen in communicatie grepen.
Terecht zegt Jeremia 17:9, dat het hart arglistig is boven alles! Laten we dus het zekere voor het onzekere nemen en opvallen door vriendelijkheid (dat sluit duidelijkheid helemaal niet uit!
Zelfs niet ten opzichte van hen die ons belasteren.
Paulus zegt over zichzelf tegen mensen die hem kenden (!): “worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk”.
De bijbelse voorbeelden hebben mij geleerd, dat als de Geest van liefde ons aanzet tot gebruik van onvriendelijke opmerkingen, Hij ons eveneens zal brengen in situaties waarin we veel moeten lijden, opdat aan iedereen toch duidelijk wordt, dat er sprake is van bewogenheid en ontferming.
We moeten ook oppassen voor selectieve bewogenheid, als ik het zo mag noemen. We zijn diep bewogen over het lot van het kind dat geslagen wordt, niet over de vader die zich niet kan beheersen.
We zijn bewogen over het lot van gevangenen in Albanië en Rusland, niet zozeer over die van Argentinië en El Salvador; of omgekeerd.
Jezus kende geen ‘selectieve bewogenheid’. Hij had in zijn team Simon de Zeloot – de vrijheidsstrijder, maar ook Mattheus de tollenaar.
Wat liefde vermag!
Nog één voorbeeld van onze Heer en Meester: toen Judas hem verraadde met een kus, had Hij – mede gezien zijn moeilijke situatie- kunnen uitvallen: “Huichelaar, hoe durf je!” Hij zei echter……..”Vriend, waartoe zijt gij hier?” Moeten we de komende jaren toenemend verzet en lastercampagnes verwachten tegen christelijke organisaties? Ik dacht het wel.
Laten we ons biddend oefenen in vriendelijkheid. Niet alleen in woord en geschrift, maar vooral in ons denken, want…….
“uit de overvloed des harten spreekt de mond,” zegt Jezus (Mattheus 12:34)
Gert Doornenbal