Siersteenlaan 480 te Groningen / 06-17984365 Iedere zondag welkom vanaf 10 uur

Wie kun je nog vertrouwen?

“Wie kun je nog vertrouwen?” Een veel gestelde vraag, waarop men normaal geen antwoord verwacht. Ze is bedoeld als mededeling: ik ben teleurgesteld in mensen, in mijn omgeving. Men verwacht geen antwoord, men wil bijval. In het gesprek dat op zo’n opmerking volgt gaat men gewoonlijk elkaars negatieve gevoelens versterken door de meest uiteenlopende voorbeelden te geven van mensen door wie men teleurgesteld werd.

De conversatie kan lang duren, maar aan het meer positieve gedeelte -de vraag beantwoorden wie nu wél te vertrouwen is- komt men meestal niet toe. Het verschijnsel van negatief denken en spreken heeft inmiddels al een passende naam: doemdenken. Een typische reactie van een bedreigde samenleving die geconfronteerd wordt met de gevolgen van teruggang op velerlei terreinen (sleutelwoord: inleveren), gecombineerd met de gevolgen van geestelijk en ethisch verval (dat heet: ‘verhoogde criminaliteit’, dan wel ‘verloedering’).

Onwil en onmacht

Waarom gaan dingen fout in mijn leven en bij anderen? Hoe komt het dat we onbetrouwbaar zijn? Ik kwam in mijn denken hierover tot twee hoofdoorzaken: onwil en onmacht. Soms ontbreekt bij ons de wil om het goede te doen. We kunnen het (nog) wel, maar het willen ontbreekt. Gebrek aan inzet. Bij onmacht is het willen misschien wel aanwezig, maar het kunnen ontbreekt.

De vraag ‘Wie kun je nog vertrouwen?’ is te algemeen gesteld. Het gaat er niet alleen om wie je kunt vertrouwen, maar ook waarvoor. Misschien kan iemand zijn vrouw wel vertrouwen voor zijn huwelijksgeluk, maar zij kan hem geen baan geven. Een goed bedrijf kan je eventueel aan werk helpen, maar het heeft geen oplossing voor je gezinsproblemen.


Onwil kan overgaan in onmacht. We spreken dan dikwijls van verslaving. Eerst is er de onwil om rein te leven, later wordt men geconfronteerd met de onmacht om slechte gewoonten na te laten. Hetzelfde zien we zo dikwijls met alcohol- en drugsgebruik, met zelfmedelijden, jaloezie enz. Als het nog kan ontbreekt het willen, want het vechten voor het goede is zo onsympathiek. Als we –uiteindelijk- willen, ontbreekt het kunnen: we zijn verslaafd! Al in het paradijs zien we de verstrengeling van onwil en onmacht. Bij Adam en Eva is er de onwil om te leven volgens Gods geboden.

Na de zondeval komt de onmacht om de gevolgen te ontgaan van de zondige daad. “Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood,” zegt Romeinen 6:23.


“Wie zondigt eet een stukje dood,” zei iemand eens. Dat heeft diepe indruk op mij gemaakt. Wat is het toch belangrijk dat we ons zowel in denken als in doen toeleggen op gehoorzaamheid. Dat we een gewillig hart hebben om het goede te doen, voordat de dag komt dat we wel willen, maar niet meer kunnen.

Zoveel huwelijken beginnen goed; een onbewolkte hemel. Maar na een poosje komen de irritaties, de teleurgestelde verwachtingen, de kibbelpartijen. Dan is er die sterke behoefte bij beide partijen om gelijk te willen hebben, gediend te willen worden. De Bijbelse principes kunnen bekend zijn, maar er is onwil om de minste te zijn, de dienaar, degene die zijn of haar hulp van God verwacht.

En dan komt die boze dag, waarop men de onmacht ontdekt om elkaar nog te begrijpen en te dienen. Dit tragische beeld van geleidelijk gebonden worden illustreert de Spreukendichter aan de hand van een verwaarloosde wijngaard (Spreuken 24:30-34). Eerst is er sprake van onwil.

De luiaard verslaapt zijn tijd en alles komt onder het onkruid. “Daar komt uw armoede aangelopen en uw gebrek als een gewapend man” (vers 34). Dat toont de onmacht. Het gebrek komt als een gewapend man, het is niet meer te keren.


Wie kun je nog vertrouwen? De vraag die ik mijzelf af en toe stel is deze: Ben ik over 10 jaar meer of minder te vertrouwen dan nu? Met andere woorden: Voltrekt zich bij mij een proces van verslaving of van bevrijding?

Bij God geen onwil of onmacht


Wie kun je nog vertrouwen? “God niet,” zegt satan tegen Adam en Eva in het paradijs. “Je kunt beter je lot in eigen handen nemen, anders breng je het niet ver.” Wij weten beter. Wij hebben de satan leren kennen als de leugenaar.

God is wél betrouwbaar, want bij Hem is er geen sprake van onwil noch van onmacht. Wij weten het, geloven het… en tóch, wat kunnen we worstelen met de problemen van deze wereld en met die in ons eigen leven, juist in verband met Gods goedheid en almacht. Dan komt die bekende vraag bij ons boven: Waarom? Een diep menselijke vraag, zei iemand eens, want toen Jezus mens was heeft ook Hij uitgeroepen: “Mijn God, Mijn God, waarom…?”


Wij hebben als mensen geen verklaring voor Gods handelen en de nood van deze wereld. Het is voor ons te verheven, wij kunnen er niet bij. Toch laat de Bijbel ons niet geheel in het ongewisse. Heel veel van de nood en de ellende van deze wereld en van de problemen waarmee we persoonlijk worstelen, zijn terug te voeren tot twee hoofdoorzaken:


1.
    Wij zijn niet bereid het goede van God uit Zijn hand aan te nemen. Onwil dus, maar van onze kant. God heeft Zijn Zoon Jezus Christus naar de wereld gestuurd om ons te redden uit de macht van de zonde, maar de meesten wijzen Hem af. Aan de christenen heeft God de Heilige Geest gegeven, als een unieke krachtbron voor de uitdagingen van elke dag. Maar bij de meesten is er voor de Geest weinig of geen plaats.

De Bijbel hebben we ontvangen als een zwaard des Geestes, maar bij de meerderheid ontbreekt de wil om zich te oefenen in het gebruik ervan. Onwil dus, aan de kant van de mensen, aan de kant van Gods kinderen. Dat verklaart veel van de gebondenheid en nood van onze situatie.

2.    Wij zijn niet in staat de weg te begrijpen die God met ons gaat. Wij kunnen Zijn doeleinden met ons en met deze wereld niet bevatten. Onmacht dus, maar weer van onze kant. In een tijd van verval en verwarring zegt God: “Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten” (Jesaja 55). Gods handelen lijkt voor ons dikwijls op de onderkant van een borduurwerk.

De zin en samenhang ontgaan ons. Ik denk bijvoorbeeld aan wat Jozef is overkomen in Egypte. Omdat hij God wilde dienen in reinheid kwam hij onschuldig enkele jaren in de gevangenis terecht. Of wat Jeremia moest meemaken. God zegt bij zijn roeping: “En Ik, zie Ik Zelf stel u heden tot een versterkte stad, een ijzeren zuil en een koperen muur tegen het gehele land…” (Jeremia 1:18). Hij leek dus onschendbaar, een soort super-Simson. Maar wat lezen we in hoofdstuk 38? Dat hij door de vorsten in een put gegooid wordt en langzaam wegzakt in het slijk.

Als ik me dan inleef, dan denk ik bij mezelf: Zou Jeremia toen die belofte uit hoofdstuk 1:18 gebruikt hebben in zijn gebed? Ebed-Melech, de Ethiopiër, heeft Jeremia tijdig gered, dat wel. Toch blijft voor mij uit dit verhaal een les over, een waarschuwing: twijfel niet aan Gods beloften, maar wees voorzichtig met je voor te stellen hoe Hij zal leiden.

Er is dus bij ons een grote onmacht om Gods doen en laten te volgen, laat staan te doorgronden. Dat kan gevoelens van wrevel of vrees geven. Die moeten bestreden worden, anders zal ons geloof ondermijnd worden. Ik weet geen effectievere manier om gevoelens van onzekerheid en teleurstelling te bestrijden dan door Woord en gebed.

Steeds maar weer opnieuw de beloften van God citeren in mijn gedachten en in gebed vluchten tot Hem die gezegd heeft: “Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden” (Jesaja 60:2).



Studie door Gert Doornenbal


Gemeente, het volk van God, deel II...

De zegen van twee-dimensionaal denken...

De heerlijkheid van God...

Plaats voor Gods beloften...