Siersteenlaan 480 te Groningen / 06-17984365 Iedere zondag welkom vanaf 10 uur

Bidden met de vinger bij de beloften

 

Abraham en Isaäk, vader en zoon, “… zo gingen die beiden tezamen…” staat er tot tweemaal toe in Genesis 22. Abraham liep de moeilijkste weg van zijn leven. Zijn reisdoel was een berg in het land Moria. In zijn ene hand droeg hij een mes. Daarmee zou hij Isaäk moeten doden. In de andere hand droeg hij het vuur. Daarmee zou hij zijn zoon verbranden.

Het was té erg, té gruwelijk om waar te zijn. Toch was er geen misverstand mogelijk. Abraham had Gods stem duidelijk gehoord en de opdracht was niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Wel honderd keer heeft hij Gods woord in zichzelf herhaald, de drie dagen dat ze naar de berg reisden. “Abraham neem toch uw zoon, uw enige die gij liefhebt, Isaäk, en ga naar het land Moria en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen, die Ik u noemen zal.

“Uw zoon”, had God gezegd, “uw enige, die gij liefhebt, Isaäk.” Er was geen twijfel mogelijk, het moest de jongen zijn die daar naast hem liep, zijn eigen offerhout dragend. Zo gingen die beiden tezamen.

Bible-Finger.jpg


Abraham had geen keus. Jaren geleden was God met hem een verbond aangegaan, zoals een machtig koning een verbond kon aangaan met een leenman. Abraham was met zijn hele huis als het ware deel gaan uitmaken van het rijk van de Grote Koning, die Zichzelf voorstelde als God, de Almachtige.

Als teken van het verbond –de inlijving- had hij zichzelf en zijn gehele huis laten besnijden. Hijzelf en zijn nageslacht waren nu deel van het rijk van God. Ze konden voortaan volledig op Zijn hulp en bijstand rekenen.

 

Maar … ze waren deze God, de Almachtige, ook volstrekte gehoorzaamheid schuldig. Een vazal, een leenman, die zijn eigen weg ging, werd door de koning afgesneden, vernietigd en met hem zijn nageslacht. Als een aards koning al zo handelde, wat was dan te verwachten als je de hemelse Heer ongehoorzaam werd? Nee, er was geen ontkomen aan, hij moest gehoorzamen.

 

Abraham wist het wel, hij was een zondig mens. Hij had geen recht om te leven als ‘leenman’ van God. En met Isaäk was het precies zo. Nee, recht op leven hadden ze niet.


Het wonderlijke was echter, dat God redding beloofd had door Isaäk. Een eeuwig verbond had Hij het genoemd. Een jaar voor de geboorte had God dat gezegd. De grote Nazaat uit Isaäks geslacht zou verlossing brengen. Maar die verlossing komt te laat. Erger nog, door Isaäk te doden wordt de weg afgesneden voor die grote Nazaat om ooit geboren te kunnen worden.

 

Tenzij … ja, tenzij God Isaäk weer uit de dood zou opwekken. Even lichten Abrahams ogen op. Dat zou wat zijn! Je zoon offeren en even later staat hij weer op uit de dood! Je gaat gewoon samen weer terug naar de knechten. Een glimlach komt terug op Abrahams gezicht … dat zou wat zijn!


Maar spoedig komen de bange zorgen weer terug; de glimlach verdwijnt. Hij loopt immers in het land Moria en nadert de berg die hem is aangewezen. Zijn hart krimpt ineen als hij denkt aan wat hij nu moet gaan doen met het mes en het vuur.

 

Zo ongeveer stel ik me Abraham voor als hij de moeilijkste weg van zijn leven gaat uit gehoorzaamheid aan God.

En dan is daar de dramatische ontknoping. Juist op het moment dat Abraham Isaäk zal offeren komt God tussenbeide. Het is genoeg!

De geloofstest is voorbij. In dit heilige moment roept de Engel des Heren van de hemel, vol ontroering (als ik dat mag zeggen): “Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des Heren: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, zal Ik u rijkelijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt” (Genesis 22:16-18).

 

“Ik zweer bij mijzelf”, zei God, omdat Hij als Schepper van hemel en aarde niet iets hogers had om bij te zweren.

Wat Hém betreft stond de zaak vast. Abraham en zijn nageslacht konden op Zijn zegen rekenen. Wie op Hém zijn geloof bouwt zal niet beschaamd uitkomen!


God liet deze belofte roepen van de hemel, niet alleen ten aanhoren van Abraham en zijn zoon, maar ook ten aanhoren van alle goede en kwade geesten. Iedereen mocht het weten van nu aan tot in eeuwigheid: God had Zich onder ede voor eeuwig verbonden aan Abraham en diens nageslacht. Niets en niemand kon dat verhinderen.


Het enige wat nog kon gebeuren was dat Abrahams nageslacht God de rug zou toekeren. Op Zijn zegen geen prijs meer zou stellen. Het verbond zou verbreken. Maar wat Gód betreft, voor Hem stond de zaak vast: wie tegen Abraham en zijn nageslacht was, was tegen God.

 

Het verbond was gesloten en nu op het hoogste niveau bekrachtigd. Een groots moment in de wereldgeschiedenis. Voor ons begrip, duizenden jaren geleden, maar voor God als was het deze week geschied, want voor Hem zijn duizend jaren als één dag.

 


Je kunt jaloers worden op Abraham als je bedenkt hoe geweldig het moet zijn om rechtstreeks uit de mond van God te horen, dat Hij je zal zegenen. Dat je nageslacht talrijk en overwinnend zal zijn en dat alle volken door hen gezegend zullen worden. Maar aan wie is deze belofte eigenlijk gegeven? Aan Abraham
en zijn nageslacht.

Dat betekent dus aan Isaäk en aan alle Joden die uit Isaäk geboren werden.


Wie Zich bovenal deze belofte toeeigende, was Jezus, dé Nazaat van Abraham. In Galaten 3:29 staat: “Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” Door het geloof zijn we kinderen van Abraham –geestelijke kinderen- en dus dragers van de belofte.

Heb je je dít ooit gerealiseerd? Ben je ooit neergeknield met de Bijbel open bij Genesis 22:16-18 om God te danken voor die rijke belofte ook aan jou gegeven?

 

Als ik lees over het leven van Dawson Trotman, de oprichter van de Navigators, dan treft het me steeds weer hoe hij %u2011waarschijnlijk meer dan wie ook in deze eeuw- oog had voor het feit dat hij drager was van de beloften, gegeven aan Abraham en zijn nageslacht met betrekking tot geestelijke vermenigvuldiging.

Dawson kon als een kind tot God gaan, met de vinger bij de beloften en zeggen: ‘Heer dat hebt U beloofd, ook aan mij. Doe in Uw trouw deze belofte in mijn leven in vervulling gaan en in de levens van de mensen die U mij gegeven hebt.’


Met de vinger bij de beloften


Dawson heeft als geestelijk kind van Abraham zijn geestelijk
nageslacht zien vermenigvuldigen. Voor vele volken der aarde zijn ze tot een zegen geworden. En het einde is nog niet in zicht … als ieder voor zich tot God blijft gaan met de vinger bij de beloften biddend om een overwinnend geloofsleven en om persoonlijke geestelijke vermenigvuldiging.

Want God heeft een eed gezworen bij Zichzelf in verband met ons en dat kan Hij niet vergeten…

September 1983


Elkaar tot steun zijn in de strijd...

Gemeente, het volk van God, deel II...

Dagelijks leven met God...

Geestelijke groei, gave en opgave...