In de loop der jaren heb ik van heel wat mensen die voor een korte of lange tijd in onze bediening hebben meegewerkt afscheid moeten nemen. Bij zo’n afscheid gaan er gedachten door je heen: Hoe zal het met die persoon nu verder gaan?
Zal hij of zij in staat zijn door te gaan op het ‘pad der gehoorzaamheid’, ook zonder de stimulans van de groep waar men zojuist afscheid van heeft moeten nemen? Op zekere dag vroeg ik mijzelf af: Welke mensen laat ik met een gerust hart vertrekken en welke mensen met minder vrijmoedigheid?
Ik kwam tot de conclusie dat het niet de meest begaafde mensen zijn of de meest getrainde mensen die ik met een gerust hart laat vertrekken, maar dat ik het meest bemoedigd en gerustgesteld ben bij het vertrek van dankbare mensen.

‘Dankbare mensen zijn beschermde mensen’, dacht ik bij mezelf, zonder dat ik nu precies kon aangeven waarom dat zo was. Je voelt het echter aan, als je van een dankbaar iemand afscheid neemt. Dankbaarheid is een vrucht van goede relaties: met God, met medegelovigen en met ongelovigen.
In Psalm 73 legt Asaf (psalmist/dichter/zanger/psycholoog) uit hoe hij op weg is om in plaats van een dankbaar mens een verbitterd, ontevreden mens te worden: het omgekeerde dus!
Iemand wees mij onlangs op de stadia van ondankbaarheid die in Psalm 73 beschreven worden, namelijk van afgunst naar zelfmedelijden, naar verbittering. Het is een goede zaak voor ons allemaal om eens over de waarheden van Psalm 73 te mediteren. Als een soort stimulans geef ik graag wat gedachten door.
“Waarlijk God is goed voor Israël, voor hen die rein van hart zijn” (vers 1).
Asaf begint met de slotconclusie: God is goed voor ons, ondanks alles wat er gebeurt. Om dat te kunnen geloven heb je een rein hart nodig.
Iemand zei eens: ‘A pure heart gives a pure vision.’ Een rein hart geeft een zuivere kijk op de dingen. Bij Asaf ontbrak dat een tijd; vandaar dat hij bijna was uitgegleden!
Het begon allemaal met afgunst.
“Want ik was afgunstig op de hoogmoedigen, toen ik de voorspoed van de goddelozen zag. Want moeiten hebben zij niet, gaaf en welgedaan is hun lichaam; in de kwelling van de stervelingen delen zij niet, en met andere mensen worden zij niet geplaagd” (vers 3-5).
Als we jaloers worden zien we de zaken niet meer scherp. Je denkt dat de ander het alleen maar goed heeft en onbezorgd geniet, terwijl jijzelf alleen maar aan het kortste eind trekt. We gaan alles zien door een gekleurde bril. De ander doet ’t goed; ik beroerd.
Zo verging ’t Asaf toen hij naar de zogenaamde goddelozen keek door z’n gekleurde bril. “Want moeiten hebben zij niet” (vers 4). “Altijd onbezorgd vermeerderen zij het bezit” (vers 12). Nou, Asaf... klopt dat wel allemaal? Hebben goddelozen echt geen moeiten en zijn ze werkelijk zo onbezorgd?
In Jesaja 57:21 staat: “De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.” In Jeremia 17:6 wordt een goddeloze vergeleken met een kale struik in de steppe die het niet merkt als er iets goeds komt. Wat doe je met zulke waarheden Asaf? Wel, Asaf doet niets met dit soort waarheden, want hij heeft zichzelf toegestaan een ‘gekleurde bril’ op te zetten en dan zie je zulke uitspraken niet meer!
En zo doet het tweede stadium zijn intrede in Asafs leven en vervalt hij in zelfmedelijden. “Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden; mijn handen in onschuld gewassen. De ganse dag word ik geplaagd, mijn bestraffing is er elke morgen” (vers 13-14).
Gevoelens van zelfmedelijden kunnen ons hevig in beroering brengen en ons denken meer en meer gaan beheersen; op het laatst kunnen we bijna nergens meer aan denken dan aan het onrecht dat ons wordt aangedaan.
We kunnen zo onredelijk worden dat we zelfs God gaan aanklagen. Uit vers 15 blijkt dat Asaf schrok van zijn gedachten en zich er niet volledig aan overgeven heeft. Wel werd hij er helemaal door in beslag genomen.
“Ik tobde erover … een kwelling was het in mijn ogen” (vers 16).
‘Zelfmedelijden is de meest ongezonde indoorsport die een mens kan bedrijven’, zei iemand eens. Het maakt je leeg en hol. Onlangs hoorde ik het verhaal van iemand die 27 jaar lang een wrok gekoesterd heeft tegen een geestelijk leider, omdat deze hem onrechtvaardig behandeld had.
27 jaar lang heeft deze persoon (die eens zo vruchtbaar in ons werk was) zijn focus gericht gehouden op het kwaad dat hem werd aangedaan. Het ging zijn denken en doen zo beheersen dat zijn relatie met God erdoor verstoord werd. Ook zijn huwelijk liep stuk. Nu is hij tot bekering gekomen, maar de verloren jaren zijn niet meer terug te winnen.
De arme man heeft nagelaten om Godte zien, als Degene Die het onrecht toeliet om Zijn kind te louteren. In Psalm 66 staat: “Want Gij hebt ons getoetst, o God, ons gelouterd, gelijk men zilver loutert. Gij deed mensen over ons hoofd rijden…” (vers 10 en 12a).
Als we onze gekleurde bril eens afzetten en met een rein hart de zaken weer zuiver zien, dan kunnen we zeggen ‘Here, Gij hebt mij deze ouders gegeven om mij te toetsen; Gij hebt mij deze baas, deze man, deze echtgenote, dit kind, deze buren, deze geestelijk leider gegeven om mij te louteren zoals men zilver loutert.
Ook bij Asaf kwam de verandering toen hij ging mediteren over God en Zijn handelen in de geschiedenis. Plotseling ziet hij dat de goddelozen op glibberige plaatsen staan en tot puin instorten. Hij ziet hoe ze in een oogwenk tot een voorwerp van ontzetting worden (vers 17-20). Wat een gekleurde bril kan doen! Eerst ziet Asaf in goddelozen gave, welgedane mensen en even later voorwerpen van verschrikking.
Asaf heeft een derde en ergste fase van ondankbaarheid in zijn leven geproefd: verbittering.
“Toen mijn hart verbitterd was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, toen was ik een grote dwaas en zonder verstand, ik was een redeloos dier bij U” (vers 21-22).
Na zijn bekering is Asaf wel heel nederig geworden. Er is geen sprake van zelfrechtvaardiging in de trant van “Tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden”, zoals in vers 13. Nee, hij noemt zichzelf nu een “grote dwaas en zonder verstand.” Iemand die zich heeft laten beetnemen door zijn verkeerde gevoelens en daardoor alles verkeerd is gaan zien.
“Ik was een redeloos dier bij U”, bekent hij. Dat zou wel eens op zijn gebedsleven kunnen slaan. Als we de zaken niet meer zuiver zien door zelfmedelijden en verbittering, dan krijgen we een wonderlijk soort gebed. We gaan God voor ons karretje spannen in plaats dat we biddend Zijn wil doen.
We leven in de eindtijd. Kenmerkend voor deze tijd is dat dankbaarheid een steeds zeldzamer levenshouding wordt. De ondankbaarheid neemt hand over hand toe in de vorm van afgunst, zelfmedelijden en verbittering.
Vooral huwelijken hebben ernstig te lijden onder deze golf van ondankbaarheid. Met zorg zie ik hoeveel vrouwen de emancipatiebeweging en het feminisme gebruiken als een dekmantel om toe te geven aan gevoelens van afgunst, zelfmedelijden en verbittering.
Deze ondankbare levenshouding wordt door moeders overgedragen op de kinderen en zo kan een generatie ontstaan die ondankbaarheid als kenmerkende eigenschap heeft. Zalig de kinderen die hun eerste levenservaringen mogen opdoen bij een dankbare moeder!
Asaf is eruit gekomen!! Toen hij God zag kregen de wereld en al zijn mogelijkheden en beperkingen een volkomen nieuwe dimensie: “Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde!” (vers 25). Dat is het einde van de afgunst en de kwalijke daaraan verbonden gevolgen.
Asaf is een verloste van de Heer; iemand die dankbaar het pad van de gehoorzaamheid kan gaan. Iemand van wie je met een gerust hart afscheid kunt nemen met de gedachte ‘Dankbare mensen zijn beschermde mensen.’
Juli 1981