
Onlangs lunchte ik met de Amerikaan Roy LeTourneau, internationaal leider van het Comité Christen-Zakenmensen. De C.B.M.C. (Christian Business Men’s Committee) is een organisatie met als doel christen zakenmensen toe te rusten om geestelijk vrucht te dragen onder hun collega’s.
Roy vertelde dat men in een bepaald Europees land bijna geen vrucht zag. De voorzitter had tegen hem gezegd: ‘De Geest van God is geweken van ons land, daarom zien we geen vrucht meer.’ Roy leunde voorover, keek me recht aan en zei: ‘Ik geloof niet dat dit waar is. Ik weiger te geloven dat er geen oogst is voor God in bepaalde landen.
De vraag is echter of God mensen kan vinden die Hem volledig willen gehoorzamen; zo willen leven en werken dat ze de oogst binnenhalen.’ En toen kwam de vraag wat ik, als Europeaan en Nederlander daarvan dacht!
Ja, wat geloof ik in dit verband? Jezus zegt in Mattheus 9:37: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.” Is dat een uitspraak die tijd- en plaatsgebonden is? Kan het zijn dat wij nu moeten concluderen: arbeiders zijn er genoeg, maar de oogst is zo beperkt? Wat geloof ik nu, diep in mijn hart, over die oogst voor God?
Toen ik nog in Delft een studentenbediening leidde, vertelde iemand mij dat hij uren wakker had gelegen, worstelend over de vraag: is de oogst nu wel of niet groot? Zijn gevoel en ervaring zeiden: de mensen zijn geestelijk niet open en hongerig: er is geen grote oogst. Maar dan kwam het Woord van Jezus weer boven: de oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.
Wat is de waarheid nu, voor ons? Wij kennen allemaal deze vraag, ook al liggen we er misschien niet wakker van zoals die student indertijd in Delft.
Toen Jezus deze uitspraak deed was het in Israël een donkere tijd. Het volk werd wreed onderdrukt door de Romeinse overheersers. Geestelijk was men er slecht aan toe, doordat de meeste leiders (Schriftgeleerden, Sadduceeën en Farizeeën) weinig of niet uit geloof leefden. Het leven met God was verschrompeld tot een dorre vormendienst met wetten en regels die als een hard juk en een zware last moesten worden meegezeuld. Er was in die dagen opvallend weinig bewogenheid voor het zwakke en verlorene:
a. Blinden, invaliden en langdurig zieken kregen weinig liefde. De gangbare opvatting was dat dit soort rampen een mens troffen als straf op de zonde. Had God in Deuteronomium 28 immers geen voorspoed en gezondheid beloofd aan het volk als het Hem zou dienen?
Hoewel de leiders dit hoofdstuk van buiten kenden riep men de bevolking niet op tot bekering, maar men berustte in het onvolmaakte van de situatie en was hardvochtig tegen de zieken en invaliden, alsof zij zouden lijden om hun eigen zonden of die van hun ouders (Johannes 9:2).
b. Tollenaars werden gemeden als mensen die onmogelijk deel konden hebben aan het verbond van God met Abraham en zijn nageslacht, omdat ze politiek aan de verkeerde kant stonden. Volgens de toenmalige geestelijk leiders stond God niet boven de politiek.
Integendeel, Hij had partij gekozen en wel vóór de Joden en tégen de Romeinen. Bewogenheid voor tollenaars en Romeinen kende men dan ook niet. Ze waren vijanden van God dacht men. Hetzelfde gold voor de zondaars, de mannen en vrouwen die de wetten van Mozes niet meer onderhielden. Je verachtte ze, je meed ze, om zo zelf onbesmet te blijven.
c. Ook Samaritanen en heidenen konden niet op de bewogenheid van de ‘vrome’ Joden rekenen. Men zag hen als verlorenen. Daar bad je niet voor, daar werkte je niet aan. Je liet ze gewoon verloren gaan. En zo was er een ‘kleine oogst’.
Men had alle mensen als het ware in categorieën ingedeeld en voor elke groep was er wel een goede reden waarom ze onbereikbaar waren voor het Evangelie. God had destijds tegen Abraham gezegd: “En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden” (Genesis 22:18).
Men had echter geen idee hoe aan deze belofte gestalte te geven; nog niet voor het verlorene in hun eigen straat. Er ontstond een steeds bredere kloof tussen de ‘vrome Joden’ en de verloren wereld. Twee aparte werelden die elkaar niet meer konden bereiken. Zo werd de oogst voor God klein, heel klein.
Toen kwam Jezus. Hij wilde als ‘de Nazaat’ van Abraham voor alle volken der aarde een zegen zijn. Dus begon Hij met de mensen om Zich heen. Hij was bewogen met het lot van de invaliden, de zieken, de tollenaars, de zondaars en de Samaritanen.
Hij wist hun vertrouwen te winnen en kon hen in hun leefwereld en met hun woorden bereiken met het Evangelie. Hij ging zelfs zover in het doorbreken van toegenomen barrières, dat Hij door de Farizeeën werd uitgemaakt voor een “… vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars” (Mattheus 11:19).
De mensen aan de andere kant van de kloof kwamen evenwel in beweging. In groten getale kwam men naar Jezus toe om door Hem geholpen te worden en het Evangelie te horen. “Toen Jezus de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben. Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst” (Mattheus 9:36-38).
Plotseling dus die ommekeer. Eerst lijkt het of niemand belangstelling heeft voor ‘geestelijke zaken’. Dan komt Jezus, weet in hun wereld binnen te dringen, hun vertrouwen te winnen. En zie daar, een grote oogst voor God.
Zou dat in onze tijd ook weer kunnen? Zouden wij, in de fijngevoeligheid en de bewogenheid van de Geest, zo het vertrouwen van de mensen aan ‘de andere kant van de kloof’ kunnen winnen dat ze in beweging komen? Hoop krijgen?
Voor sommigen van ons iets om in de komende tijd over na te denken, over te worstelen misschien, zoals die student uit Delft. ‘Heer, is er een oogst voor U in mijn omgeving? Vader, wie moet ik zijn, opdat U mij kunt uitzenden?’
Wie moet ik zijn, opdat God mij kan uitzenden? Mag ik 3 kenmerken noemen ter overweging?
1. Een man of vrouw van gebed. Ik bedoel niet het ‘gemakkelijke’ gebedje van: ‘Heer, stel mij ook vandaag tot een zegen. Amen.’ Ik bedoel het gelovig gebed dat gebaseerd is op beloften van God. Het gebed waarin je als het ware een worsteling aangaat. ‘Heer, door het geloof ben ook ik nageslacht van Abraham; Heer, hoe kan ik tot een zegen zijn voor anderen, naar Uw belofte?’
Een gebed dat lang kan duren vanwege alle mensen en de diverse situaties die je voor God wilt brengen. Dus al biddend vriendschap sluiten met hen die anders denken.
2. Dienstbaar. Jezus deed een opmerkelijke uitspraak over Zichzelf: “De Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen.”
Een geweldige uitspraak om persoonlijk te herhalen, als we naar de kerk gaan, met buren en kennissen omgaan, de huishouding doen, onze toekomst plannen, naar ons werk gaan: ‘Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en mijn leven te geven als een losprijs voor velen.’ Wie met zo'n houding mensen tegemoet treedt zal geopende harten vinden. Het maakt je tot een lichtend licht en een zoutend zout.
3. Aandacht voor mensen in moeilijkheden. In je omgeving zijn ze zeker, de mensen die lijden onder echtscheiding, ouderdom, rouw, eenzaamheid, ontheemd zijn enzovoort. Welke mensen brengt God op jouw weg om ze liefde en aandacht te geven, een helpende hand?
Jezus werd een Vriend genoemd van degenen onder wie Hij Zich bewoog. Men voelde zich door Hem begrepen en geaccepteerd, al besefte men heel goed dat Hij ‘anders’ was. Geve God dat mensen in onze omgeving ons vrienden en vriendinnen gaan noemen, omdat ze uit onze levenshouding proeven dat we hen accepteren en respecteren.
Juni 1983