Siersteenlaan 480 te Groningen / 06-17984365 Iedere zondag welkom vanaf 10 uur

Elkaar tot steun zijn in de strijd

 

Toen Jezus in Mattheus 16 Zijn vrienden vertelde dat Hij veel moest lijden, om zo Gods wil op aarde uit te voeren, reageerde Petrus hier heel scherp op. Hij nam Jezus zelfs terzijde en begon Hem te bestraffen, alsof Hij iemand was Die Zich in een depressieve bui te buiten ging aan het ventileren van té negatieve gevoelens over de toekomst.

Enkele verzen eerder had Petrus duidelijk beleden dat Jezus niet een gewoon mens was, maar “… de Zoon van de levende God.”

 

Toen ik deze feiten met elkaar combineerde begon ik beter te begrijpen hoe we als mens diep emotioneel geraakt kunnen worden als we iemand onschuldig zien lijden. Onze emoties kunnen ons ertoe brengen om zelfs God terzijde te roepen voor een bestraffing.

 

De reactie van Jezus is bijna even opmerkelijk. Jezus was God, maar Hij had ook een menselijke natuur. Het was dus voor Hem een echte verzoeking om toe te geven aan de gedachtegang van Petrus en daarmee het lijden te verwerpen. Jezus reageert scherp en noemt Zijn vriend: “satan”, dat is tegenstander, iemand die probeert Hem in de val van ongehoorzaamheid te laten lopen.

 

Bij dit incident -dat ongetwijfeld zeer diepe indruk op Petrus heeft gemaakt- doet Jezus een bijzondere uitspraak; Hij zegt: “…..want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen.” Dat was dus de eigenlijke oorzaak van Petrus’ reageren.

 

Toen ik over deze uitspraak mediteerde heb ik even twee lijstjes gemaakt:

1.       Wat vinden wij mensen belangrijk?

2.       Wat vindt God belangrijk?

 

Het lijstje over wat wij mensen belangrijk vinden had vooral te maken met het tijdelijke; wat we nu als prettig, eervol en gemakkelijk ervaren. De dingen van God daartegenover, hebben met het eeuwige te maken en met onze relatie tot Hem en anderen. Twee volkomen verschillende gedachtewerelden, die met elkaar in botsing kwamen, toen Jezus het begrip lijden voor Gods Koninkrijk bij Zijn vrienden introduceerde.

 

Het heeft mij bij de bestudering van de brieven van Petrus erg geholpen om dit incident uit Mattheus 16 steeds voor ogen te houden. In menig opzicht zijn deze brieven een beschrijving van de levensles die Petrus moest leren op het terrein van lijden voor God.

 

Geen wonder dat Petrus veel over lijden schrijft. Immers, het lag hem helemaal niet; hij moest alles van a tot z leren. Petrus heeft letterlijk alles gedaan om zichzelf voor lijden te behoeden: eerst proberen Jezus tot andere gedachten te brengen, toen de vijanden in de hof met het zwaard te lijf gaan, daarna laf wegvluchten en tenslotte zijn Heer en vriend in nood verloochenen. Een indrukwekkende dienst van staat in het ontlopen van ‘de dingen Gods’!

 

In 1 Petrus 4:1 schrijft deze apostel dat we ons moeten wapenen met de gedachte dat lijden een onontkoombaar gegeven is voor mensen die naar Gods standaarden willen leven, in plaats van hun eigen begeerten te volgen. De mensen om je heen zullen vreemd opkijken als je ‘anders’ gaat leven, schrijft hij. Ze zullen je zelfs gaan belasteren, maar we moeten ermee doorgaan, want er is al genoeg tijd verloren gegaan met het leven naar menselijke begeerten.

In vers 13 komt hij er weer op terug en zegt dat we vooral niet verbaasd en verward moeten zijn over het lijden dat ons ten deel valt, maar juist blij, omdat we zo op een eeuwige beloning kunnen rekenen als Jezus terugkomt.

 

In ons is verzet om naar Gods wil te leven, maar ook om ons heen! We zitten dus middenin de strijd. Geen wonder dat we moeten lijden. Het leven met God is een voorrecht, de Bijbel is daar duidelijk over. Het is echter ook een gevecht, een geestelijke strijd. Petrus wil dat we dit goed beseffen, zodat we niet verrast zijn als we aangevallen worden. We moeten op strijden ingesteld zijn, gewapend.

 

Uitgesproken in dit hoofdstuk over lijden wekt Petrus de gelovigen op vooral voor elkaar te zorgen, elkaar te helpen in de geestelijke strijd (1 Petrus 4:8-11). “Hebt bovenal bestendige liefde jegens elkander, want de liefde bedekt tal van zonden.” Bestendig: in het Grieks wordt een woord gebruikt dat ook de betekenis van ‘vurig, vasthoudend, met overgave’ in zich draagt. Van Jezus staat in Lucas 22:44 dat Hij dodelijk beangst werd en des te vuriger bad. Hier wordt hetzelfde Griekse woord gebruikt.

 

Als Petrus zegt dat we bovenal bestendige liefde moeten hebben voor elkaar, dan spreekt hij dus over zelfopofferende liefde die onze hele inzet vraagt. Dat is nodig in een situatie van strijd. Aan het front zijn soldaten -ter plaatse- afhankelijk van elkaar. Vooral wanneer men door de strijd tijdelijk uitgeput of zelfs gewond raakt. De verstrooide christenen in Klein-Azie -aan wie Petrus deze brief schreef- moesten ter plaatse elkaar leren ondersteunen in de geestelijke strijd.

Hij kon wel eens lángskomen of een brief sturen, maar dat was uiteraard niet genoeg. Vandaar zijn oproep om vooral elkaar te dienen met vasthoudende, zelfopofferende liefde.

 

Uit reacties van mensen in ons werk heb ik gemerkt hoezeer wij ons ook moeten toeleggen op het zorgen voor elkaar in zelfopofferende liefde. Er is een grote behoefte aan diepe, liefdevolle en opbouwende relaties, om staande te kunnen blijven in de geestelijke strijd.

 

In vers 10 schrijft Petrus: “Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods.” Ook dit bekende vers staat dus in het hoofdstuk dat bij uitstek over lijden spreekt en over het helpen van elkaar in de geestelijke strijd. We kunnen elkaar dus dienen, met de gaven die God ons heeft gegeven, zowel in onze persoonlijke levens, als ook in het winnen en opbouwen van anderen.

Weinig zal ons als gelovigen aantrekkelijker maken in de ogen van ongelovigen en pas bekeerden, dan dat ze zien hoe wij elkaar tot steun en bemoediging zijn. “Hieraan zullen allen weten dat gij discipelen van Mij zijt, inden gij liefde hebt onder elkander”, zegt Jezus in Johannes 13.

 

Hoe kunnen we deze twee principes praktisch maken vraag ik mij af. Hoe kunnen we elkaar tot steun zijn door “bestendig lief te hebben” en door elkaar te dienen “naar onze genadegaven”? Misschien kunnen we deze Bijbelse richtlijnen meer gestalte geven, door als arbeiders in de oogst -ter plaatse- regelmatig samen te komen om voor elkaar, onze gezinnen en de mensen met wie we contact hebben te bidden. En elkaar te voeden met het Woord en elkaar -zo nodig- ook op praktisch gebied te helpen.

 

Laten we bidden dat God ons duidelijk leidt bij het toepassen van deze principes uit Zijn Woord. De Bijbel is er duidelijk over en ook de praktijk leert het ons meer en meer: elkaar tot steun zijn is geen luxe, het is een noodzaak!

 

September 1981


Snoeien en straffen...

Natuurlijke en geestelijke liefde ...

Het kruis, een dwaasheid voor de wereld...

Bidden met de vinger bij de beloften...