Zie Agenda voor meer informatie / 06-17984365 Iedere zondag welkom vanaf 10 uur

Dagelijks leven met God

‘Je moet niet teveel op onze Lieve Heer vertrouwen, Doornenbal, want straks zit je met de gebakken peren.’

Zó reageerde een oudere collega toen ik hem indertijd vertelde dat ik hem ging verlaten om fulltime geestelijk werk te doen en dat ik voortaan van giften zou moeten leven.

Uit de houding van deze medewerker proefde ik respect voor mijn geloof,maar ook bezorgdheid over mijn ‘idealisme’.

Hij verwoordde deze onrust in die merkwaardige uitdrukkingdat ik maar niet teveel moest vertrouwen op God, want dan zou de zaak wel eens uit de hand kunnen lopen.

Dit gebeurde in 1966, maar ik herinner me het voorval als de dag van gisteren.

Ik waardeerde zijn zorg voor mij en mijn gezin. Ik voelde me echter zó speciaal door God geroepen om deze weg te gaan, dat ik mij volledig aan Zijn zorg kon toevertrouwen.

En die ‘gebakken peren’ hebben we daar ooit mee gezeten? Nee! God heeft ons vertrouwen in Hem nooit beschaamd of ons teleurgesteld. De omstandigheden waren niet altijd gemakkelijk, maar we hebben nooit beschaamd gestaan, zo van: ‘Nu hebben we toch teveel op God vertrouwd, de zaak is uit de hand gelopen.’ Terugkijkend kunnen we met de woorden van Deuteronomium 1:31 zeggen dat God ons door de woestijn van het leven heeft gedragen, zoals een vader zijn kind draagt, tot op de plaats waar we nu gekomen zijn.

Betekent dit nu, na al die goede ervaringen, dat het leven uit geloof een soort tweede natuur geworden is, een dagelijkse routine? Nee, zo ervaar ik dat niet. Ik denk dat op deze aarde het uit geloof leven nooit een routinezaak wordt. Het is iets waarvoor we iedere keer weer bewust moeten kiezen.

Er zijn heel wat mensen die God in hun jeugd voor grotere dingen konden vertrouwen dan toen ze ouder werden. Hun geloofsleven is niet gegroeid maar eerder verschrompeld. Het leven heeft hen dan wel wijzer gemaakt, maar niet hun geloof vergroot.

Zo verging het ook het volk Israël: God had hen op een heel bijzondere manier uit Egypte geleid, door de Rode Zee geholpen, van dag tot dag met manna gevoed in de woestijn, water uit de rots gegeven enzovoort. Maar toen ze bij het land Kanaän aankwamen vonden ze de muren van de steden te hoog en de reuzen te sterk. Ze wilden terug naar Egypte. Hun geloof was niet gegroeid ondanks alle levenservaring.

Hoe komt het toch dat het leven uit geloof een strijd blijft; iets waar we steeds voor moeten kiezen? Wat kan ik doen om meer te rusten in mijn vertrouwen op God? Deze vragen houden me steeds bezig.

Ik heb in mijn stille tijd (tijd met God) het leven van de profeet Elisa bestudeerd om na te gaan waarvoor hij God moest vertrouwen. Hoe deed hij dat? En hoe moet dat gevoeld hebben? Gewapend met deze vragen mediteerde ik elke dag over één verhaal van Elisa uit 2 Koningen.

Wat mij het meest opvalt in deze verhalen is dat Elisa volkomen afhankelijk is van Gods handelen, maar dat hij zelf wel iets doet. Elisa is dus niet passief. Hij is helemaal bij het wonder betrokken. Wat hij zelf doet is echter volkomen ontoereikend; God doet het wonder. Hier zijn enkele voorbeelden:


1.   Het water van Jericho is ongezond en veroorzaakt misgeboorten. Elisa laat zout halen in een nieuwe schaal, gooit het zout in het water en zegt: “Zo zegt de Here: Ik maakt dit water gezond” (2 Koningen 2:22).

2.   In hoofdstuk 3 wordt aan Elisa gevraagd om God te raadplegen voor Koning Josafat. Elisa moet God ervoor vertrouwen dat Hij tot hem zal spreken. Hij vraagt om een citerspeler. Waarom? Maakt dat de omstandigheden gunstiger om Gods Geest te ontvangen? In vers 15 staat dan: “En het geschiedde, toen de citerspeler speelde, dat de hand des Heren op hem kwam.”

3.   In hoofdstuk 4 komt bij Elisa een weduwe die dringend geld nodig heeft. Elisa’s vraag is: “Vertel mij, wat gij in uw huis hebt.” Het blijkt dat de vrouw alleen nog een kruikje olie heeft. Met dat beetje olie gaat Elisa haar helpen. Ze moet vaten vragen bij de buren, de deur sluiten en dan alle vaten vullen met olie uit dat kruikje. Elisa vertrouwt God, dat Hij die olie op een bovennatuurlijke manier zal vermeerderen.

4.   In hetzelfde hoofdstuk wordt aan Elisa gevraagd om het zoontje van de Sunamitische vrouw tot leven te brengen. Zover we weten is dat de eerste en de enige keer dat Elisa iets dergelijks moet doen. Een nieuwe geloofsuitdaging dus. Hij sluit de deur achter zich en bidt tot God. Daarna gaat hij op de jongen liggen, net zo lang tot het lichaam van het ventje weer warm wordt. Bidden en het lichaam warmte geven, dát is Elisa’s aandeel. Daarna doet God het wonder en zendt de levensgeest in de jongen terug.

5.   Eens kwam Elisa bij de profeten te Gilgal (4:38-41). Er was honger in het land. Elisa deed geen wonder om hen van voedsel te voorzien, maar laat hen moes koken. Dan blijkt het eten vergiftigd te zijn doordat men wilde kolekwinten erdoor gesnipperd heeft. Elisa vraagt om meel, werpt dat in de pot en zegt dan vol vertrouwen op Gods almacht: “Schep op voor het volk.” God had het meel gebruikt om de moes te ontgiften.

6.   Ten slotte nog een beeldend voorval uit hoofdstuk 6. Elisa gaat met de profeten hout hakken bij de Jordaan. Eén van hen heeft een geleende bijl, waarvan het ijzer in het water valt. Die profeet dreigt in paniek te raken, maar Elisa’s reactie is er een van geloof. Hij laat de plaats aanwijzen waar het ijzer in het water is gevallen, snijdt een stuk hout af en werpt het in het water op de plaats waar het ijzer ligt. Dan doet God een wonder. Het ijzer komt bovendrijven zodat de profeet het kan pakken.

Zó leefde Elisa met God. Hij was geen wonderautomaat die alle zieken heeft genezen, alle doden heeft opgewekt of alle hongersnoden heeft weggebeden. Nee, hij leefde net als wij met de gevolgen van een gebroken wereld, waarin hij zich steeds opnieuw moest afvragen: Wat wil God dat ik hier doe, in vertrouwen op Hem?

Wat mij dus speciaal opviel is dat Elisa steeds zijn betrokkenheid uitte door zelf ook iets te doen. Hij gebruikte zout, een citerspeler, olie, zijn lichaamswarmte, meel, een stuk hout enzovoort. Ik geloof dat deze voorbeelden ons iets te zeggen hebben. Ook wij moeten beseffen dat God ons gebruiken wil om voor onze omgeving tot een zegen te zijn. We moeten er zelf echter bewust voor kiezen om ingeschakeld te willen worden.

In iedere situatie komt dan de vraag naar boven: Wat wil God dat ik doe als mijn aandeel? Wat is het stuk hout dat Hij gebruiken kan om de bijl te doen bovendrijven? Is dat mijn gebed, mijn geld, een getuigenis, mijn tijd, een Bijbelstudie, een bemoedigend of vermanend woord? Heer wat is het wat ik kan doen?

Wij moeten tegelijkertijd ook weer de betrekkelijkheid zien van onze eigen inbreng. We kunnen zó gericht raken op wat wij kunnen doen, dat we een foute redenering krijgen. Eén schaal zout helpt, dus twéé schalen zout helpen nog meer. God gebruikte een stúk hout, de volgende keer neem ik een bálk, dan gaat het beter. We gaan het steeds meer verwachten van wat wij doen en raken erdoor gespannen.

We gaan dan té krampachtig een sollicitatiebrief schrijven, worden té voorzichtig in ons getuigen naar de buren, verwachten teveel van een goede strategie, worden té gespannen over de opvoeding van onze kinderen of het voorbereiden van onze tentamens. We zien God niet meer en Zijn aandeel, omdat we teveel gericht zijn op onszelf en ons aandeel.

Ik merk dat ik tegen deze verleiding moet waken, nu ik meer en meer levenservaring krijg. Ware levenswijsheid is niet dat we steeds beter weten hoe het wél en níet moet in het leven, maar dat we in kinderlijk vertrouwen doorgaan op God te zien, wetende dat Hij ons zal blijven bewaren voor die ‘gebakken peren’.

Maart 1984